Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2978

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-09-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
16/4703 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de indiening van de rapporten van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige heeft het Uwv het in de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2019:975) geconstateerde gebrek niet hersteld. De arbeidsongeschiktheid van appellante is ten onrechte ingedeeld in de klasse 15 tot 25%. De Raad herroept het besluit en bepaalt dat appellante recht heeft op een WAO-uitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4703 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

8 juni 2016, 15/384 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling

tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (België) (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

Datum uitspraak: 12 september 2019

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 20 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:975, een tussenuitspraak gedaan.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend. Appellante heeft hierop een reactie gegeven.

Bij brief van 26 juni 2019 heeft appellante verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

Vervolgens is met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, afgezien van nader onderzoek ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. In de tussenuitspraak is geconcludeerd dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 april 2014, die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, voor beoordelingspunten 4.22 en 5.5 geen juiste weergave is van de belastbaarheid van appellante op de datum in geding, gelet op de rapporten van de deskundige. Het bestreden besluit is daarom niet gebaseerd op een deugdelijke medische grondslag en is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het Uwv is opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, in die zin dat de voor appellante geldende FML wordt aangepast door daarin de door de deskundige genoemde beperkingen op te nemen. Het Uwv moet vervolgens bezien of arbeidskundig onderzoek aanleiding geeft tot het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar.

1.2.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv nader onderzoek laten verrichten.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML op 4 april 2019 aangepast door bij beoordelingspunt 4:22 op te nemen: 1.beperkt, kan niet of nauwelijks knielend of hurkend met de handen de grond bereiken”, met de aanvullende toelichting “sterk beperkt”. Daartoe heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 4 april 2019 opgemerkt dat ook uit onderzoek door de deskundige is gebleken dat appellante bij buigen in de rug/heupen, tot op vijftien centimeter na, grondbereik heeft. Niet valt in te zien dat zij nooit iets van de grond zou kunnen oprapen. De beperking op beoordelingspunt 5:5 behoeft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanscherping, omdat daarop al de maximale beperking is gegeven, namelijk “beperkt”. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bij rapport van 4 april 2019, na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, te kennen gegeven dat volgens de deskundige de schuttershouding voor appellante niet mogelijk is, evenals licht buigen in de knieën. Hij heeft het CBBS geraadpleegd, waarbij is gebleken dat één van de eerder geselecteerde functies niet langer als passend werd gepresenteerd. De resterende vier functies blijven volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onveranderd geschikt voor appellante. Op basis van de functies productieplanner, werkvoorbereider (SBC-code 513010), schadecorrespondent (SBC-code 516080) en telefonist/receptionist (SBC-code 515204) is per 16 juli 2014 een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 19,96%, waardoor de arbeidsongeschiktheid onverminderd is ingedeeld in de klasse 15 tot 25%.

1.3.

Appellante is – kort weergegeven – van mening dat het Uwv met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek niet heeft hersteld.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Met de indiening van de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het Uwv het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet hersteld, gelet op het volgende.

2.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij rapport van 4 april 2019 niet onderkend dat volgens de deskundige voor appellante grondbereik door te knielen of te hurken niet mogelijk is, ook niet door volledig te buigen in de rug en enigszins flecteren van de knieën, omdat daarvoor een goede extensie (naar boven bewegen) van een enkelgewricht mogelijk moet zijn, terwijl dat bij de linkerenkel van appellante niet mogelijk is. Grondbereik middels een combinatie van buigen in de rug/heupen met buigen in de rechterknie en het achteruit houden van het linkerbeen is door de deskundige ook onmogelijk geacht, gezien de artrose in de rechterknie en de spitsstand in de linkerenkel. Daarmee is met de FML van 4 april 2019, in samenhang met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 april 2019, geen juiste invulling gegeven aan de conclusies van de deskundige noch aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht.

2.3.

In de uiteindelijk aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies komt een belasting op de beoordelingspunten 4.22 en 5.5 voor. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 4 april 2019 bij de beoordeling of de geselecteerde functies desondanks geschikt zijn voor appellante wél betrokken dat de schuttershouding en licht buigen in de knieën volgens de deskundige niet mogelijk zijn voor appellante. Kennelijk heeft hij niettemin ook van betekenis geacht dat in die functies grondbereik niet frequent nodig is. Daarnaast heeft hij alternatieven genoemd voor de belasting op het gebied van knielen/hurken en geknield en gehurkt actief zijn. Daarbij is hij deels uitgegaan van vooronderstellingen. Zo zou appellante de werkgever kunnen verzoeken om de in de functie van medewerker service en ontvangst te gebruiken brandkast op een verhoging te zetten. Verder kan appellante gebruikmaken van een grijper als voorziening om kleine, gevallen dingen op te pakken. Deze motivering overtuigt niet. Vooropgesteld blijft dat de deskundige grondbereik voor appellante niet mogelijk heeft geacht. Zonder nadere concretisering is onduidelijk in hoeverre de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep genoemde alternatieven als reëel kunnen worden beschouwd. Daarom valt niet in te zien dat met deze alternatieven een passende oplossing kan worden gevonden voor de overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante. Dit klemt te meer, nu één van de eerder geselecteerde functies wél is vervallen, terwijl daarin aanvankelijk voor het noodzakelijke grondbereik eenzelfde alternatief is genoemd als bij drie van de resterende functies. Het geheel aan beschikbare gegevens in onderlinge samenhang bezien leidt tot de conclusie dat de vier geselecteerde functies voor appellante niet geschikt zijn.

2.4.

Omdat het Uwv het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld, moeten het bestreden besluit en ook de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, worden vernietigd. Er is aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 8 mei 2014, waartegen appellante bezwaar heeft gemaakt, te herroepen en te bepalen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 16 juli 2014 wordt vastgesteld op 80 tot 100%.

3.1.

Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

3.2.

Over de wijze van beoordeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, wordt in de eerste plaats gewezen op de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

3.3.

Voorts wordt gewezen op de uitspraak van 7 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:809, waarin de Raad heeft overwogen dat in een geval als dit, waarin eerst na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan wordt toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke fase dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode tussen het instellen van beroep bij de rechtbank en de tussenuitspraak van de hoger beroepsrechter ten hoogste drie en een half jaar heeft geduurd en de hoger beroepsrechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.

3.4.

Voor het onderhavige geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 12 juni 2014 tot de datum waarop de Raad uitspraak heeft gedaan op 12 september 2019, zijn vijf jaar en drie maanden verstreken. De Raad ziet geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure op meer dan vier jaar te stellen. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188. De redelijke termijn is dan ook met vijftien maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van drie maal € 500,-, dit is € 1.500,-.

3.5.

De periode tussen de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 21 juni 2015 tot de tussenuitspraak van de Raad van 20 maart 2019 heeft drie jaar en negen maanden in beslag genomen. Dit betekent dat in deze fase de redelijke termijn in de rechterlijke fase van drie en een half jaar is overschreden met drie maanden.

3.6.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 7 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:809, komt, indien niet binnen een jaar na ontvangst van de mededeling van het Uwv van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak is gedaan, de periode nadien voor rekening van de Staat. De periode tussen de ontvangst op 11 april 2019 van de mededeling van het Uwv van de wijze waarop het Uwv de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zou hebben hersteld en de datum van deze uitspraak heeft ruim vijf maanden geduurd.

3.7.

Het voorgaande betekent dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van de Staat komt. Voor berekening van het bedrag van de schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 300,- (3/15 deel van € 1.500,-). Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van

€ 1.200,- (12/15 deel van € 1.500,-).

4. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.536,- voor verleende rechtsbijstand in beroep, en € 1.536,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep alsook de reiskosten van € 39,54 voor het bijwonen van de zitting.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 18 december 2014;

  • -

    herroept het besluit van 8 mei 2014;

  • -

    bepaalt dat appellante vanaf 16 juli 2014 recht heeft op een WAO-uitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van

18 december 2014;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 300,-;

  • -

    veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.200,-;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.111,54;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2019.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) P. Boer

GdJ