Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2973

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-09-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
18-2998 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststellingsovereenkomst. Geen sprake van dwaling. Appellant heeft er, om hem moverende redenen, bewust voor gekozen om het tussen hem en de staatssecretaris bestaande geschil te beëindigen met de overeenkomst. Daarmee kon ontslagbesluit niet meer ter toetsing aan de bestuursrechter voorgelegd en zekerheid verkregen over de rechtmatigheid ervan. Niet gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat volledige nakoming van de afspraken niet (meer) in redelijkheid kan worden verlangd. Geen sprake van nieuwe bewijsmiddelen, die niet eerder geleverd konden worden. Bestreden besluit niet evident onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/473
TAR 2019/149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2998 AW

Datum uitspraak: 12 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

18 april 2018, 17/1705 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.P.F. van Duren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. S.H.A.M. Dassen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Nijholt en drs. J.J. Breuer RA.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellant, laatstelijk werkzaam als [naam functie] bij de belastingdienst, onderdeel [onderdeel], is bij besluit van 18 februari 2014 (ontslagbesluit) strafontslag verleend. Na een mediationtraject hebben partijen op 18 juni 2014 een vaststellingsovereenkomst (overeenkomst) gesloten. Hierbij is aan appellant ingaande

1 oktober 2014 ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor zijn functie anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Vervolgens is namens appellant onder meer het bezwaar tegen het ontslagbesluit ingetrokken.

1.2.

Ter voldoening aan diverse verzoeken van appellant op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) heeft de staatssecretaris bij verschillende besluiten informatie aan appellant verstrekt.

1.3.

Bij brief van 28 december 2016 heeft appellant verzocht om de overeenkomst en het ontslagbesluit opnieuw te bezien. Bij besluit van 22 februari 2017 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat geen sprake is geweest van dwaling bij het ondertekenen van de overeenkomst. De staatssecretaris heeft het verzoek om terug te komen van de overeenkomst onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen, omdat de uit de Wob-verzoeken verkregen gegevens geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden opleveren.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 11 mei 2017 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris overwogen dat aan appellant niet meer het plichtsverzuim ten laste wordt gelegd dat oorspronkelijk aan het strafontslag ten grondslag lag. De staatssecretaris heeft geen aanleiding gezien om bij appellant dwaling aanwezig te achten ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Er is op appellant geen onaanvaardbare druk of dwang uitgeoefend om de overeenkomst te tekenen. Bijzondere omstandigheden die meebrengen dat nakoming van de overeenkomst in redelijkheid niet meer kan worden verlangd ontbreken volgens de staatssecretaris in dit geval. De staatssecretaris heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Kort samengevat is de rechtbank appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat hij gedwaald heeft bij het sluiten van de overeenkomst. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, omdat appellant de gegevens uit de Wob-verzoeken indertijd al had kunnen opvragen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de beroepsgronden tegen het schadeverhaalbesluit van 7 november 2013 buiten de omvang van het geding vallen. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Volgens vaste rechtspraak worden afspraken in een vaststellingsovereenkomst aangemerkt als een nadere regeling van de uitoefening van de aan het bestuursorgaan toekomende ontslagbevoegdheid. Aan zo'n ontslagregeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid waaraan niet alleen het bestuursorgaan, maar ook de ambtenaar is gebonden. Dit kan onder meer anders zijn als sprake is van wilsgebreken of als zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat volledige nakoming van de afspraken niet (meer) in redelijkheid kan worden verlangd (uitspraak van 13 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8812). Een wilsgebrek kan bestaan in dwaling.

4.1.2.

In lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad (uitspraak van 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3129) stelt de Raad voorop dat de omstandigheid dat partijen met betrekking tot een bepaalde kwestie in onzekerheid verkeren en te dien aanzien een vaststellingsovereenkomst sluiten, een geslaagd beroep op dwaling ten aanzien van die overeenkomst niet uitsluit.

4.2.1.

Uit het beroepschrift en het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken dat appellant twijfelde over de juistheid van de door de staatssecretaris aan het ontslagbesluit ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden. Naar eigen zeggen heeft appellant - voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst - langs verschillende wegen geprobeerd de volgens hem relevante informatie te vergaren, maar is hij daarin niet geslaagd. Appellant voelde zich voor de keuze gesteld: ofwel doorprocederen tegen het ontslagbesluit of de overeenkomst aangaan. Hij heeft voor het laatste gekozen, aldus appellant.

4.2.2.

Naar het oordeel van de Raad is er in dit geval geen sprake van dwaling. Niet gebleken is dat appellant onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken de overeenkomst is aangegaan. Voor zover appellant heeft willen betogen dat hij de overeenkomst is aangegaan omdat hij er ten onrechte vanuit ging dat hij niet kon bewijzen dat het strafontslag en het plichtsverzuim onterecht waren, merkt de Raad op dat appellant er, om hem moverende redenen, bewust voor heeft gekozen om het tussen hem en de staatssecretaris bestaande geschil te beëindigen met de overeenkomst. Daarmee heeft hij zichzelf de mogelijkheid ontnomen om het ontslagbesluit ter toetsing aan de bestuursrechter voor te leggen en zekerheid te verkrijgen over de rechtmatigheid ervan.

4.2.3.

De Raad is niet gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat volledige nakoming van de afspraken niet (meer) in redelijkheid kan worden verlangd.

4.3.1.

Appellant heeft verder aangevoerd dat sprake is van nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden, die voor de staatssecretaris aanleiding hadden moeten zijn om terug te komen van het bepaalde in de overeenkomst.

4.3.2.

Volgens vaste rechtspraak toetst de bestuursrechter in een geval als dit aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (uitspraak van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115). Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.3.3.

Dat sprake zou zijn van dwaling is, anders dan appellant heeft betoogd, geen feit of omstandigheid, maar een conclusie. Dat appellant heeft gedwaald is de conclusie die appellant verbonden wenst te zien aan de nadere informatie die na een aantal verzoeken op grond van de Wob door de staatssecretaris aan appellant is verstrekt. Zoals hiervoor is overwogen
(onder 4.2.2.) onderschrijft de Raad deze conclusie niet.

4.3.4.

Ter zitting heeft appellant betoogd dat sprake is van nieuwe bewijsmiddelen, die niet eerder geleverd konden worden. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat appellant deze informatie eerder, namelijk tijdens de bezwaarschriftprocedure en voor het ondertekenen van de overeenkomst, naar voren had kunnen brengen. Dat appellant, zoals hij ter zitting heeft verklaard, in de periode voorafgaande aan de totstandkoming van de overeenkomst langs verschillende wegen heeft gepoogd informatie te verkrijgen maar daarin niet is geslaagd, maakt dat niet anders. De mogelijkheid van een Wob-verzoek stond immers ook in die periode open voor appellant, die werd bijgestaan door een professionele gemachtigde.

4.3.5.

Wat in beroep is aangevoerd vormt geen aanleiding om te komen tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

4.4.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat tot een veroordeling tot vergoeding van schade.

4.5.

Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en C.H. Bangma en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2019.

(getekend) H. Lagas

(getekend) F. Demiroğlu

md