Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2969

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-09-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
16-3282 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante heeft geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen het advies van de CABF. De aanduiding van de functie in de aanhef van het advies van de CABF berust op een kennelijke verschrijving. Zorgvuldig onderzoek en het is inzichtelijk en consistent. Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel is met onvoldoende concrete gegevens onderbouwd en slaagt daarom niet. Het hoger beroep slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3282 AW, 18/3127 AW

Datum uitspraak: 12 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
5 april 2016, 14/10820 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (minister)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Bij brieven van 27 december 2016 en 17 januari 2017 heeft de minister gereageerd op een brief van de Raad van 10 november 2016.

Appellante heeft haar standpunt nader toegelicht en nadere stukken ingediend.

De minister heeft hierop een reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2017. Appellante is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Bent.

Bij besluit van 22 mei 2018 heeft de minister de bezwaren van appellante tegen de waardering van haar functie ongegrond verklaard.

Appellante heeft op verzoek van de Raad op het besluit van 22 mei 2018 gereageerd en nadere stukken ingezonden.

De minister heeft op verzoek van de Raad een reactie gegeven op de gronden van appellante tegen het besluit van 22 mei 2018 en nadere stukken ingezonden.

Appellante heeft haar standpunt nader toegelicht en nadere stukken ingediend.

Van de zijde van de minister is nog een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 20 juni 2019. Appellante is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van der Bent.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is sinds 1 december 2008 aangesteld als medewerker Bedrijfsvoering
(schaal 8) bij het directoraat-generaal Organisatie en Bedrijfsvoering Rijk
Werkmaatschappij / Programma-organisatie Digitale Werkomgeving Rijksdienst (DWR).

1.2.

Bij besluit van 18 juni 2012 (besluit 1) heeft de minister aan appellante te kennen gegeven dat haar functie met ingang van 1 juli 2012 in verband met de invoering van het Functiegebouw Rijk (FGR) wordt ingedeeld in de functiefamilie Bedrijfsvoering, functiegroep adviseur Bedrijfsvoering schaal 8-11 met als functietypering en -schaal: adviseur Bedrijfsvoering schaal 8 (adviseur Bedrijfsvoering). Hiertegen heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 29 juni 2012 (besluit 2) heeft de minister appellante meegedeeld dat zij met ingang van 1 juli 2012 wordt geplaatst bij SSC-ICT Den Haag, in de functiefamilie Bedrijfsvoering, functiegroep adviseur Bedrijfsvoering schaal 8-11 en functietypering adviseur Bedrijfsvoering schaal 8, op directieniveau, waarbij zij gaat werken bij de afdeling Bedrijfsvoering en Relatiemanagement. Hiertegen heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.4.

Bij de behandeling van de bezwaarschriften tijdens de hoorzitting van 31 januari 2013 is met appellante afgesproken om haar oude DWR-taken te beschrijven en te waarderen. Op
19 maart 2014 is het rapport “Tussenrapportage Beschrijving ´samenstel van werkzaamheden´ [appellante] (tussenrapportage) opgesteld. Daarin is geconcludeerd dat het samenstel van werkzaamheden van appellante wat betreft de aard van de werkzaamheden afwijkt van de organieke functie ‘medewerker Bedrijfsvoering’ (schaal 8) waarop zij per 1 december 2008 is aangesteld. Geconcludeerd is voorts dat de organieke functie destijds juist is geconverteerd naar de functiegroep adviseur Bedrijfsvoering, maar dat het feitelijk samenstel van werkzaamheden daar zodanig van verschilt dat een indeling in de functiegroep medewerker Bedrijfsvoering/functietypering medewerker Administratie passend is. Geadviseerd is om gelet op het zwaartepunt in de werkzaamheden, het samenstel van werkzaamheden van appellante in te delen in de functietypering medewerker Administratie (schaal 8).

1.5.

Bij besluit van 20 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren van appellante tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Daarbij is appellante geadviseerd om haar bezwaren tegen de FUWASYS Sessie van 19 maart 2014 op papier te zetten en die bezwaren ter advisering aan de Commissie voor Advies Bezwaren Functiewaardering (CABF) voor te leggen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat het bestreden besluit ziet op de indeling van de functie van appellante, waaraan schaal 8 is gekoppeld, in het FGR en de plaatsing van appellante in die functie bij SCC-ICT Den Haag. De beroepsgronden van appellante hebben echter betrekking op de aan die functie gekoppelde waardering. De rechtbank heeft, mede gelet op het verhandelde ter zitting, vastgesteld dat de beschrijving van het samenstel van werkzaamheden van appellante in de periode van 1 december 2008 tot
1 juli 2012 niet in geding is. Tevens is de plaatsing in de functie van adviseur Bedrijfsvoering niet in geschil. Voor zover appellante stelt dat haar werkzaamheden dienen te worden ingedeeld in de functiegroep adviseur Bedrijfsvoering schaal 9 (in plaats van 8) dienen deze gronden in een procedure omtrent de functiewaardering te worden beoordeeld. Nu appellante geen gronden heeft aangevoerd die zich richten tegen de functie-indeling en de plaatsing van appellante in de betreffende functie, kan het bestreden besluit volgens de rechtbank stand houden.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting van 12 oktober 2017 hebben partijen de volgende procedureafspraken gemaakt:

- appellante stuurt de aanvullende gronden van het bezwaar tegen de functiewaardering, zoals opgenomen in de tussenrapportage, aan de Raad;

- de Raad stuurt deze bezwaargronden door aan de minister, waarna de minister deze aanvullende gronden voorlegt aan de CABF;

- de minister maakt aan de Raad kenbaar welke gevolgen worden verbonden aan het advies van de CABF;

- de Raad stuurt het standpunt van de minister en het advies van de CABF door aan appellante en verzoekt haar om een reactie.

4.2.

Appellante heeft de aanvullende gronden van het bezwaar tegen de functiewaardering, zoals opgenomen in de tussenrapportage, toegezonden aan de Raad. Bij advies van 23 maart 2018 heeft de CABF de minister geadviseerd om het bezwaar ongegrond te verklaren, waarna de minister het besluit van 22 mei 2018 heeft genomen.

4.3.

De Raad zal, gelet op de instemming daarmee van partijen en uit een oogpunt van proceseconomie en finale geschilbeslechting, het besluit van 22 mei 2018 betrekken bij zijn oordeel.

4.4.

Appellante heeft geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen het advies van de CABF. De beroepsgrond dat het advies niet ten grondslag kan worden gelegd aan het besluit van
22 mei 2018, omdat bovenaan het advies staat vermeld dat het gaat om de functie van medewerker Bedrijfsvoering, treft geen doel. In het advies wordt onder de feiten en argumenten van partijen weergegeven dat het gaat om de functie van adviseur Bedrijfsvoering en dat als uitgangspunt bij de waardering de beschrijving van het samenstel van werkzaamheden, zoals opgenomen in de tussenrapportage, wordt genomen. Dit is in overeenstemming met de tussen partijen op 12 oktober 2017 gemaakte procedureafspraak. Bovendien is de beschrijving van het samenstel van werkzaamheden van appellante, zoals de rechtbank ook heeft vastgesteld, niet in geding. Met de minister is de Raad daarom van oordeel dat de in de aanhef van het advies van de CABF weergegeven aanduiding van de functie op een kennelijke verschrijving berust. Nu het advies verder blijk geeft van een zorgvuldig onderzoek en het inzichtelijk en consistent is, heeft de minister het advies ten grondslag kunnen leggen aan het besluit van 22 mei 2018.

4.5.

Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel is met onvoldoende concrete gegevens onderbouwd en slaagt daarom niet.

4.6.

Nu appellante voor het overige geen gronden tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het beroep tegen het besluit van 22 mei 2018 moet ongegrond worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 mei 2018 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en H. Benek en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2019.

(getekend) H. Lagas

(getekend) Y. Itkal

md