Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2968

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
18/2661 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WW-uitkering. Appellant voldoet niet aan de zogenaamde referte-eis die is vastgelegd in artikel 17 van de WW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2661 WW

Datum uitspraak: 4 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

30 maart 2018, 16/3770 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft A.J.G. Pierik hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2019. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door Pierik. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft zich op 9 januari 2011 ziek gemeld voor zijn werk als junior

groepsleider. Vanaf 6 januari 2013 heeft hij een loongerelateerde WGA-uitkering en aansluitend een WGA-loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontvangen. De mate van arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op 80 tot 100%. Bij besluit van 23 februari 2016 heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellant met ingang van 24 april 2016 beëindigd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 31 oktober 2016 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van

30 maart 2018 (16/3771) heeft de rechtbank het hiertegen gerichte beroep van appellant ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde hoger beroep is geregistreerd onder nummer 18/2662 WIA.

1.2.

Op 21 april 2016 heeft appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW)

aangevraagd. Bij besluit van 11 mei 2016 heeft het Uwv de gevraagde WW-uitkering met ingang van 25 april 2016 ontzegd, omdat appellant in de 36 weken voordat hij werkloos werd in minder dan 26 weken als werknemer heeft gewerkt. Daarbij is meegedeeld dat gewerkte weken die voorafgingen aan de WGA-uitkering al zijn meegeteld voor die uitkering en niet nogmaals mogen worden meegeteld voor het recht op WW-uitkering. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 31 oktober 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen recht heeft op een WW-uitkering omdat hij niet voldoet aan de zogenaamde referte-eis die is vastgelegd in artikel 17 van de WW. Op grond van vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 9 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:930) verzet artikel 17a, tweede lid, van de WW zich ertegen dat arbeidsuren die in aanmerking zijn genomen bij de vaststelling van het recht op een WIA‑uitkering nogmaals in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van het recht op een WW-uitkering. De beroepsgrond dat het Uwv ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het bepaalde in artikel 17a, eerste lid, van de WW, heeft de rechtbank verworpen omdat het eerste lid van artikel 17a van de WW betrekking heeft op een andere periode dan het tweede lid.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij het als zeer onrechtvaardig ervaart dat hij na verbetering van zijn ziekte niet met behoud van uitkeringsrechten kon zoeken en solliciteren naar een voor hem geschikte arbeidsplaats. Hij stelt dat verdiscontering van de WW in de WGA-uitkering in zijn geval niet aan de orde kan zijn, omdat hij tijdens de periode waarin hij een WGA-uitkering ontving volledig arbeidsongeschikt was en dus geen arbeidscapaciteit had. Zijn situatie verschilt van de situatie in de uitspraak van de Raad van 23 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3464) waarnaar het Uwv in de beslissing op bezwaar heeft verwezen, omdat appellant volledig arbeidsongeschikt was op medische gronden en sinds zijn ziekmelding niet meer heeft gewerkt. Bovendien is het Uwv volgens appellant ten onrechte voorbij gegaan aan artikel 17a, eerste lid, onder a, van de WW. Bepalend zou moeten zijn dat hij op 6 januari 2013 aan de wekeneis voldeed zodat hij recht heeft op een WW-uitkering die geëffectueerd kan worden na het einde van zijn WGA‑uitkering.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de WW ontstaat recht op uitkering voor de werknemer indien hij in 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft.

4.2.

Op grond van artikel 17a, tweede lid, van de WW worden voor de vaststelling van het in artikel 17 bedoelde aantal van 26 kalenderweken arbeidsuren in een kalenderweek slechts in aanmerking genomen, voor zover deze betrekking hebben op de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden en op een of meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen, en voor zover deze niet reeds eerder hebben geleid tot het ontstaan van een recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk of op grond van hoofdstuk 7 van de Wet WIA.

4.3.

Het gaat in dit geding om de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd om appellant na het einde van zijn WIA-uitkering een

WW-uitkering toe te kennen.

4.4.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die hij al in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd, worden onderschreven zodat wordt volstaan met een verwijzing daarnaar. Het standpunt van appellant dat zijn situatie verschilt van de situatie in de uitspraak van de Raad van 23 september 2015 wordt niet gevolgd. Ook in die situatie ging het om een volledig arbeidsongeschikte werknemer die naast de WIA-uitkering niet had gewerkt.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2019.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) M. Graveland

VC