Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2960

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
16/6034 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wajong-uitkering terecht geweigerd. De door de raad geraadpleegde deskundige heeft inzichtelijk en gemotiveerd te kennen gegeven op welke aspecten appellant aanvullend beperkt wordt geacht. Vervolgens heeft het Uwv terecht de FML op de door de deskundige benoemde beoordelingspunten aangepast. Geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden dat de verzekeringsarts de door de deskundige verwoorde belastbaarheid niet op juiste wijze of onvolledig heeft vertaald in de FML van 16 april 2019. De belasting in de uiteindelijk geselecteerde functies gaat de beperkingen van appellant niet te boven en deze functies zijn daarmee voor appellant in medisch opzicht geschikt te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3064 WWAJ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
31 maart 2016, 15/1321 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 11 september 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Nadaud. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.J.H.H. Fuchs.

Na de zitting is het onderzoek heropend.

De Raad heeft L. Greveling-Fockens, verzekeringsarts, benoemd als onafhankelijk deskundige. Zij heeft op 6 maart 2019 gerapporteerd.

Appellant heeft op dit rapport gereageerd.

Ook het Uwv heeft op het rapport van de deskundige gereageerd en rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is geboren [in] 1994. Hij heeft op 25 april 2012 een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) ingediend. Bij besluit van 7 juni 2012 heeft het Uwv de aanvraag van appellant afgewezen, omdat appellant het minimum (jeugd)loon kan verdienen en niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Appellant heeft op 19 augustus 2014 opnieuw een uitkering ingevolge de Wajong 2010 aangevraagd. Bij besluit van 3 oktober 2014 heeft het Uwv die aanvraag afgewezen, omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen van het besluit van 7 juni 2012. Ook is er geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na het bereiken van de achttienjarige leeftijd. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts van 2 oktober 2014.

1.3.

Bij besluit van 5 maart 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 oktober 2014 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 december 2014 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 3 maart 2015.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het oordeel van de verzekeringsartsen, dat bij de aanvraag en in bezwaar geen wezenlijk andere medische gegevens over de situatie van appellant naar voren zijn gebracht dan die welke bekend waren ten tijde van de eerdere Wajong-beoordeling, onjuist te achten. De rechtbank heeft het Uwv ook gevolgd in zijn standpunt dat geen sprake is van een verslechterde gezondheidstoestand dan wel toegenomen beperkingen. Voor zover de aanvraag van appellant betrekking heeft op de toekomst, heeft de rechtbank overwogen dat de aanvraag impliciet als zodanig is beoordeeld. Gelet op de rapporten van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is het bestreden besluit toereikend gemotiveerd.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat er een gewijzigde diagnose is gesteld, dat sprake is van toegenomen beperkingen en dat de geselecteerde functies niet passend zijn.

3.2.

Omdat de bevindingen van de behandelend psychiater, waar het betreft de beperkingen van appellant op persoonlijk en sociaal vlak, niet zonder meer in het verlengde lijken te liggen van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 december 2014, heeft de Raad een deskundige benoemd.

3.3.

De deskundige heeft in haar rapport van 6 maart 2019, samengevat weergegeven en voor zover hier van belang, geconcludeerd dat appellant op een aantal beoordelingspunten meer beperkt is dan zoals weergegeven in de FML van 1 december 2014.

3.4.

In een rapport van 16 april 2019 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de
FML – in lijn met de conclusies van de deskundige – aangepast en aanvullende beperkingen opgenomen. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een rapport van
29 april 2019 met inachtneming van de aanvullende beperkingen geconcludeerd dat appellant met de door hem geselecteerde functies ten minste 75% van het maatmaninkomen kan verdienen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het uitgebrachte rapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft inzichtelijk en gemotiveerd te kennen gegeven op welke aspecten appellant aanvullend beperkt wordt geacht. Vervolgens heeft het Uwv terecht de FML op de door de deskundige benoemde beoordelingspunten aangepast. Geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door de deskundige verwoorde belastbaarheid niet op juiste wijze of onvolledig heeft vertaald in de FML van 16 april 2019.

4.2.

Uitgaande van de juistheid van de aldus aangepaste FML van 16 april 2019 wordt in de voorhanden gegevens voldoende steun gezien voor het standpunt van het Uwv dat de belasting in de uiteindelijk geselecteerde functies de beperkingen van appellant niet te boven gaat en dat deze functies daarmee voor appellant in medisch opzicht geschikt zijn te achten.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. Omdat eerst in hoger beroep een nadere onderbouwing is gegeven voor de medische grondslag van het bestreden besluit, is de conclusie dat dit besluit niet deugdelijk was gemotiveerd. Omdat aannemelijk is dat belanghebbenden hierdoor niet zijn benadeeld, zal het motiveringsgebrek onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.280,- in beroep (beroepschrift, repliek en zitting) en op € 1.280,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand (hoger beroepschrift, zitting, zienswijze na verslag deskundigenonderzoek), in totaal dus € 2.560,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.560,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv de door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2019.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) P. Boer

IvR