Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2958

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2019
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
17/7354 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende procesbelang. Geen sprake van toekomstige vergelijkbare aanvragen. De

WIA-beoordeling per einde wachttijd dient te worden gebaseerd op een actueel medisch en arbeidskundig onderzoek, waarbij op basis van de op dat moment bij appellant vastgestelde beperkingen een nieuwe functieselectie zal dienen plaats te vinden. In die zin heeft een oordeel van de Raad over de nu aan de EZWb ten grondslag gelegde Functionele Mogelijkhedenlijst en de geselecteerde functies geen betekenis voor een toekomstige WIA-beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7354 ZW

Datum uitspraak: 22 augustus 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

3 oktober 2017, 17/1156 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2019. Voor appellant is

mr. Van Zundert verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.

1.2.

Bij besluit van 19 augustus 2016 heeft het Uwv in het kader van een Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) vastgesteld dat appellant met ingang van

20 september 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet. Met een beslissing op bezwaar van 9 januari 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 augustus 2016 gegrond verklaard en vastgesteld dat appellant vanaf 20 september 2016 recht behoudt op ziekengeld.

2.1.

In beroep heeft appellant de juistheid van het bestreden besluit bestreden. Appellant acht het niet juist dat het Uwv zijn arbeidskundige bezwaren, onder meer gericht tegen de geschiktheid van de functies en de vaststelling van zijn opleidingsniveau, onbesproken heeft gelaten. Appellant heeft naar voren gebracht dat een beoordeling van deze grieven van betekenis kan zijn voor toekomstige beoordelingen.

2.2.

Het Uwv heeft daarop gereageerd met de stelling dat appellant geen procesbelang meer heeft, omdat appellant met zijn hoger beroep niet meer kan bereiken dan de voortzetting van ziekengeld op en na 20 september 2016. Bij besluit van 23 maart 2017 is inmiddels aan appellant met ingang van 27 februari 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%.

2.3.

De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat appellant onvoldoende procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep. Naar het oordeel van de rechtbank is het procesbelang komen te vervallen omdat appellant over de maximale periode ziekengeld heeft ontvangen en in aansluiting daarop een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geniet. De rechtbank heeft verder uiteengezet dat de arbeidskundige grief van appellant louter een formeel belang betreft en dat het belang van appellant verder niet gevonden kan worden in de WIA-beoordeling omdat deze beoordeling een eigen beoordelingskader kent. De rechtbank heeft het beroep van appellant

niet-ontvankelijk verklaard.

3.1.

Appellant heeft de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak (zoals bijvoorbeeld blijkt uit de uitspraak van de Raad van

15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1755) heeft een betrokkene voldoende procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling over de rechtmatigheid van een besluit, als het resultaat dat de indiener van een beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben.

4.2.

Nu het bestreden besluit ertoe heeft geleid dat aan appellant gedurende de maximale termijn van 104 weken ziekengeld is verstrekt, heeft een inhoudelijke beoordeling over de rechtmatigheid van het bestreden besluit voor appellant geen feitelijke betekenis. Het standpunt van het Uwv, dat appellant geschikt is te achten voor geselecteerde functies waarmee hij echter niet meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen, doet hier niet aan af.

4.3.1.

Appellant acht zijn procesbelang tevens gelegen in de toekomstige WIA-aanvraag per einde wachttijd en in eventuele re-integratieverplichtingen die kunnen voortvloeien uit het standpunt van het Uwv, dat appellant de bij de EZWb geselecteerde functies kan verrichten. Appellant, die analfabeet is, acht deze functies mede vanwege zijn beperkte opleiding niet geschikt.

4.3.2.

Eveneens naar vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van

9 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP3990) kan het belang van een betrokkene bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van een besluit ook gelegen zijn in de omstandigheid dat het inhoudelijke oordeel van de Raad kan worden betrokken bij eventuele toekomstige – vergelijkbare – aanvragen van die betrokkene. Deze situatie doet zich hier echter niet voor nu van toekomstige vergelijkbare aanvragen geen sprake is. De

WIA-beoordeling per einde wachttijd dient te worden gebaseerd op een actueel medisch en arbeidskundig onderzoek, waarbij op basis van de op dat moment bij appellant vastgestelde beperkingen een nieuwe functieselectie zal dienen plaats te vinden. In die zin heeft een oordeel van de Raad over de nu aan de EZWb ten grondslag gelegde Functionele Mogelijkhedenlijst en de geselecteerde functies geen betekenis voor een toekomstige

WIA-beoordeling. Verwezen wordt in dit verband naar de uitspraak van de Raad van

28 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:995. Aan appellant is bovendien inmiddels per einde wachttijd een WIA-uitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid op 100% is gesteld.

4.4.

Een belang is ten slotte evenmin gelegen in eventuele re-integratieverplichtingen die aan appellant kunnen worden opgelegd. Een oordeel van de Raad over de geschiktheid van appellant voor de bij de EZWb geduide functies heeft geen betekenis voor de vraag of en welke re-integratieverplichtingen aan appellant kunnen worden opgelegd. In het kader van de ZW heeft appellant over de maximale termijn ziekengeld genoten en kunnen dergelijke verplichtingen niet meer aan hem opgelegd worden. Over het besluit waarbij aan appellant in het kader van de Wet WIA re-integratieverplichtingen zijn opgelegd, heeft de rechtbank Rotterdam inmiddels op 21 maart 2019 uitspraak gedaan (ECLI:NL:RBROT:2019:2178) en is bij de Raad nu hoger beroep aanhangig.

4.5.

De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht geen procesbelang aanwezig geacht en het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2019.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) J. Smolders

JvC