Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2956

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
17/6059 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De aangevallen uitspraak is niet rechtsgeldig tot stand gekomen en komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Zorgvuldig medisch onderzoek. In wat appellante heeft aangevoerd geen reden om het medisch oordeel van het Uwv voor onjuist te houden. De stukken die appellante in hoger beroep in geding heeft gebracht leiden niet tot een ander oordeel. Arbeidskundig is voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn bij de vastgestelde medische belastbaarheid van appellante. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6059 WIA

Datum uitspraak: 4 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 21 juli 2017, 16/963 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.G.J. Engbers, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Engbers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is werkzaam geweest als productiemedewerkster en thuiszorgmedewerkster. Op 1 juni 2012 heeft appellante zich voor haar werk als productiemedewerkster, en op 7 januari 2013 voor haar werk als thuiszorgmedewerkster, ziek gemeld. In het kader van een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 augustus 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk, maar vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante 100% van haar maatmaninkomen kan verdienen. Bij besluit van 21 augustus 2015 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 27 september 2014 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 22 februari 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 februari 2016, een gewijzigde FML van 12 februari 2016, alsmede een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 15 februari 2016 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt en dat er geen aanleiding is om te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van appellant onjuist heeft ingeschat nu uit de overgelegde medische stukken niet naar voren komt dat appellante op de datum in geding verdergaand beperkt was dan is weergegeven in de FML van 12 februari 2016. Naar oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de geschiktheid van de geselecteerde functies voldoende overtuigend toegelicht.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank heeft verzuimd een brief van het Uwv van 19 december 2016 naar haar door te sturen, en dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan zonder dat zij de mogelijkheid heeft gehad om op deze brief te reageren. Daarnaast heeft appellante haar standpunt dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat gehandhaafd. Daarbij heeft appellante aangevoerd dat er onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden door het Uwv. Volgens appellante kan zij de geselecteerde functies wegens haar beperkingen niet uitvoeren. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat voldoende aannemelijk is dat al haar fysieke klachten reeds op 27 september 2014 bestonden, aangezien zij de typerende symptomen reeds voor die datum heeft gemeld. Appellante heeft stukken over de medische beoordeling van een vriendin door het Uwv overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft na de aangevallen uitspraak bij brief van 16 augustus 2017 erkend dat de brief van het Uwv van 19 december 2016 met als bijlagen het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 2 december 2016 en het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 november 2016 per abuis niet aan appellante zijn toegezonden. De rechtbank heeft daarna de aangevallen uitspraak zonder nadere zitting gedaan terwijl appellante niet beschikte over de laatstelijk door het Uwv ingezonden stukken. De behandeling van het beroep is hierdoor in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor en de aangevallen uitspraak is niet rechtsgeldig tot stand gekomen. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Nu de zaak geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal de Raad de zaak zonder terugwijzing afdoen. Appellante heeft met de brief van de rechtbank van 16 augustus 2017 alsnog de genoemde stukken ontvangen en heeft in haar hogerberoepschrift gebruik gemaakt van de mogelijkheid om op deze stukken te reageren.

4.2.

Op grond van artikel 54, eerste lid, van de Wet WIA ontstaat voor een verzekerde na afloop van de wachttijd recht op uitkering als hij gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. Op grond van artikel 47, eerste lid, van de Wet WIA ontstaat na afloop van de wachttijd een recht op uitkering voor de verzekerde die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.3.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 27 september 2014 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen.

4.4.

Met betrekking tot de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv is er geen aanleiding om te concluderen dat niet is voldaan aan de zorgvuldigheidsvereisten die gelden voor een dergelijk onderzoek. Zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben een eigen psychisch en fysiek onderzoek uitgevoerd en hebben de reeds aanwezige medische informatie van eerdere beoordelingsmomenten en de door appellante overgelegde medische informatie van haar behandelaars bij hun oordeel betrokken. Het standpunt van appellante dat haar medische toestand onvoldoende is onderzocht door het Uwv wordt, gezien de uitgebreide en gemotiveerde bevindingen die de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 5 februari 2016 heeft genoteerd, niet gevolgd. Daarbij komt dat appellante de artsen van het Uwv geen toestemming heeft gegeven om informatie op te vragen bij de behandelend sector, omdat zij zelf wilde bepalen welke (delen van) stukken zij zou overleggen. In het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 november 2016 is aangegeven dat informatie over bepaalde klachten ontbreekt en dat er in bepaalde stukken bijvoorbeeld data of bevindingen ontbreken. Voor zover appellante ter zitting heeft gesteld dat zij meer informatie heeft willen overleggen dan in het dossier zit en daardoor bepaalde stukken en/of bevindingen ontbreken in de door haar overgelegde medische informatie, komt dat dan ook voor haar rekening en risico.

4.5.

In wat appellante heeft aangevoerd wordt geen reden gezien om het medisch oordeel van het Uwv voor onjuist te houden. In de medische stukken van de behandelend sector die appellante in beroep in geding heeft gebracht worden geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de door het Uwv vastgestelde medische belastbaarheid in de FML van 12 februari 2016 onvoldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen van appellante. De door appellante ingeschakelde verzekeringsarts D. Beekema heeft in zijn rapport van 11 juli 2016 geconcludeerd dat de FML van 12 februari 2016 gelet op de beschikbare informatie in stand kan blijven.

4.6.

De stukken die appellante in hoger beroep in geding heeft gebracht leiden niet tot een ander oordeel. Dat bij een vriendin van appellante tijdens een Ziektewetbeoordeling tendinose, een aandoening die appellante ook heeft, is vastgesteld maakt niet dat deze stukken informatie bevatten over de medische situatie van appellante op de datum in geding.

4.7.

Het standpunt van appellante dat de geselecteerde functies haar medische belastbaarheid overschrijden wordt niet gevolgd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft, naar aanleiding van de twijfels van appellante over de geschiktheid van de functies gelet op haar allergie voor latex, nikkel en colofonium, verder onderzoek verricht naar de geselecteerde functies. In zijn rapport van 2 december 2016 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op basis van opgevraagde informatie van verschillende arbeidsdeskundige analisten voldoende toegelicht dat er in de functies geen sprake is van bezwaarlijke blootstelling aan een van deze stoffen. Ook overigens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapporten voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn bij de vastgestelde medische belastbaarheid van appellante.

4.8.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.7 is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.

5. De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. In wat het Uwv heeft aangevoerd wordt geen reden gezien om de Staat te veroordelen tot de proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- voor verleende rechtsbijstand en € 44,40 voor reiskosten, in totaal € 1.068,40.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van

€ 1.068,40;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van R. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2019.

(getekend) S. Wijna

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

VC