Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2954

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2019
Datum publicatie
16-09-2019
Zaaknummer
17/3851 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Geschikt geacht voor maatgevende arbeid vanuit ZW. Wettelijke wachttijd niet voltooid. Hersteld gemeld voor einde periode. Voldoende medische grondslag. Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht dan in de beroepsprocedure. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak in de overwegingen 5 en 6 afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3851 WIA

Datum uitspraak: 5 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 april 2017, 16/7592 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Spek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Spek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als postbezorger/ondersteunend medewerker voor dertig uur per week, toen hij zich op 3 november 2008 met linkerschouder- en nekklachten als gevolg van een bedrijfsongeval voor dit werk heeft ziek gemeld. Bij besluit van 14 mei 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 20 mei 2009 geen recht meer heeft op ziekengeld omdat hij per die datum geschikt is te achten voor zijn maatgevende arbeid in de functie van postbezorger/ondersteunend medewerker. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in rechte vaststaat.

1.2.

Op 13 maart 2015 heeft appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend omdat hij zich sedert
11 september 2008 arbeidsongeschikt acht.

1.3.

Bij besluit van 23 maart 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant vanaf 1 november 2010 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat appellant sinds zijn eerste ziektedag op
3 november 2009 niet 104 weken arbeidsongeschikt is gebleven voor het eigen werk, waardoor hij de wettelijke wachttijd niet heeft voltooid. Appellant is vóór het einde van deze periode, op 20 mei 2009, hersteld gemeld. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4.

Bij brief van 5 oktober 2015 heeft appellant verzocht om terug te komen van het besluit van 23 maart 2015 waarin een WIA-uitkering per 1 november 2010 is geweigerd. Daartoe heeft appellant te kennen gegeven dat hij sinds 2010 meerdere insulten heeft gehad waarna bij hem de diagnose syndroom van Sneddon is vastgesteld. Niet valt uit te sluiten dat in mei 2009 al sprake was van deze neurologische aandoening. Gelet hierop is het appellant niet duidelijk of het Uwv bij de hersteldmelding per 20 mei 2009 een volledig beeld had van zijn situatie. Appellant heeft daartoe medische informatie overgelegd.

1.5.

Een arts van het Uwv heeft appellant op het spreekuur van 5 februari 2016 onderzocht en een anamnese afgenomen. Na weging van de onderzoeksbevindingen alsook de gegevens in het dossier en de bevindingen van de bedrijfsarts die destijds hebben geleid tot de hersteldmelding, is deze arts tot de conclusie gekomen dat er geen reden is de eerdere
WIA-beslissing te herzien. Daartoe heeft deze arts geconcludeerd dat, hoewel niet is uit te sluiten dat op 20 mei 2009 al sprake was van een neurologische aandoening, er destijds onderzoek is gedaan naar de beperkingen van appellant waarbij behalve een beperking op heffen van de linkerarm, geen andere beperkingen zijn gevonden. Vervolgens is vastgesteld dat appellant per 20 mei 2009 niet meer arbeidsongeschikt was voor het eigen werk. Gelet op deze onderzoeksbevindingen is er geen reden om van de beslissing waarbij de WIA-uitkering is geweigerd, terug te komen.

1.6.

Bij besluit van 24 februari 2016 heeft het Uwv vastgesteld te blijven bij het eerdere besluit van 23 maart 2015 waarin is meegedeeld dat appellant ingaande 20 mei 2009 hersteld is verklaard voor het eigen werk, waardoor appellant vanwege het niet voltooien van de wettelijke wachttijd van 104 weken geen recht heeft op een WIA-uitkering.

1.7.

In bezwaar tegen dit besluit heeft appellant aangevoerd dat het destijds aan de hersteldverklaring liggend medisch onderzoek te beperkt is geweest omdat dit onderzoek alleen op de schouderklachten was gericht. Ten tijde van dat onderzoek was uit informatie van de re-integratie-inspanningen van de werkgever en de fysiotherapeut al bekend dat er een beperking was in de cognitieve vermogens van appellant. Dat is destijds ten onrechte niet betrokken in de beoordeling. Gelet op de (latere) diagnose syndroom van Sneddon is het niet uit te sluiten, zoals de verzekeringsarts ook heeft opgemerkt, dat appellant al in 2009 aan dit syndroom met de daarbij behorende cognitieve klachten leed.

1.8.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 februari 2016 is bij besluit van
18 augustus 2016, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv, ongegrond verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 17 november 2016 geconcludeerd dat in de aangevoerde argumenten en uit overgelegde documenten, over de periode van 3 november 2008 tot 1 november 2010 geen doorlopend en volledige arbeidsongeschiktheid voor het eigen werk van postbode/ondersteunend medewerker is af te leiden, ongeacht eventueel latente aanwezigheid van een vaatziekte in de hersenen en de nare ontwikkeling van de klachten nadien. De beslissing is destijds weloverwogen genomen en was gebaseerd op in het dossier aanwezige gegevens, de anamnese, het eigen medisch onderzoek en de bij de curatieve sector ingewonnen aanvullende medische informatie. Er zijn geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat de gezondheidssituatie en de daaruit voortkomende beperkingen per 20 mei 2009 anders zijn geweest dan vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In lijn met de uitspraak van de Raad van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de rechtbank eerst vastgesteld dat het Uwv naar aanleiding van het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 23 maart 2015, een volledige inhoudelijke beoordeling heeft uitgevoerd waarna zij deze beoordeling inhoudelijk heeft getoetst. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Onder supervisie van een verzekeringsarts, hebben een arts van het Uwv en een verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzoek en dossierstudie verricht en kennis genomen van de overgelegde medische informatie. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant aanvullend medisch onderzocht en de door appellant overgelegde medische informatie bij zijn beoordeling betrokken en gewogen. De rechtbank heeft voorts overwogen dat er geen aanleiding bestaat de visie van de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) in twijfel te trekken. Er is geen reden om aan te nemen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld had van de lichamelijke gezondheidstoestand van appellant. De door de verzekeringsartsen sinds maart 2011 geconstateerde ernstige achteruitgang in de gezondheidstoestand van appellant als gevolg van het syndroom van Sneddon leidt er niet toe dat van november 2008 tot
1 november 2010 sprake is van een doorlopende periode van arbeidsongeschiktheid. Dat in het huisartsenjournaal staat dat in juni 2008 sprake was van een aanval van epilepsie en dat in mei 2009 al een gebrekkige taal is geconstateerd, hoeft niet per definitie te leiden tot doorlopende beperkingen. Appellant heeft onvoldoende medisch onderbouwd dat hij onterecht vanaf 20 mei 2009 geschikt is geacht voor zijn eigen werk en dat hij doorlopend arbeidsongeschikt is te achten tot 1 november 2010.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat vaststaat dat hij lijdt aan het Sneddon’s syndroom, een zeldzame aandoening die gekenmerkt wordt door huidafwijkingen in combinatie met cerebrale infarcten op relatief jeugdige leeftijd. Uit de door appellant overgelegde medische informatie van de neuroloog en de huisarts is gebleken dat er meerdere tonisch-clonische insulten zijn geweest in de wettelijke wachttijdperiode. Uit de brief van de neuroloog van 26 oktober 2011 aan de huisarts blijkt dat er sprake is van uitgebreide ischemische schade cerebraal die het functioneren van appellant in de periode in het geding zodanig beïnvloedde dat hij op en na 20 mei 2009 volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. De zeldzame aandoening had voor de verzekeringsartsen aanleiding moeten zijn om in overleg met de neuroloog te treden. De verzekeringsarts is uitgegaan van een onjuiste situatie door aan te nemen dat slechts sprake is geweest van één aanval van epilepsie.

3.2.

Het Uwv heeft in reactie op de gronden in hoger beroep een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd en heeft vervolgens bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Aan de orde is de afwijzing van een verzoek om terug te komen van het besluit van
23 maart 2015 na een inhoudelijke beoordeling door het Uwv. Voor het door de bestuursrechter te hanteren toetsingskader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 7 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:500. Voor deze zaak leidt dat tot het volgende.

4.2.

Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht dan in de beroepsprocedure. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak in de overwegingen 5 en 6 afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.

4.3.

Op de door appellant in hoger beroep overgelegde brief van de huisarts van 27 juni 2017 waarin het huisartsenjournaal van 27 februari 2008 en 25 juni 2008 is opgenomen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 12 september 2017 inzichtelijk gemotiveerd gereageerd. Daartoe heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat uit het huisartsenjournaal in 2008 niet valt af te leiden dat er ten tijde van de hersteldmelding al sprake was van een epilepsie waaruit doorlopende arbeidsongeschiktheid voortvloeit. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er terecht op gewezen dat appellant ten tijde van de hersteldmelding, op 14 mei 2009, door de bedrijfsarts medisch is onderzocht waaruit is gebleken dat appellant voldoende hersteld was om zijn eigen werk weer te verrichten. Appellant heeft destijds tegenover de bedrijfsarts ook verklaard snel weer aan het werk te willen als postbode. De Raad onderschrijft deze conclusies en voegt hieraan toe dat de diagnose syndroom van Sneddon in februari 2011 en het als gevolg hiervan progressief verloop van de klachten na 2010, niet met zich meebrengen dat de conclusies uit het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan de hersteldmelding per 20 mei 2009, onjuist zijn. Noch heeft appellant aannemelijk gemaakt dat hij vanaf de hersteldmelding van 20 mei 2009 arbeidsongeschikt is gebleven en daarmee de wettelijke wachttijd van 104 weken zou hebben volgemaakt. De ter zitting overgelegde brief van 2 augustus 2019 van de ambulant begeleider van appellant, ziet niet op deze periode. In die brief wordt de huidige situatie beschreven. Niet ontkend wordt dat deze situatie heel moeilijk is voor appellant. Aangezien er geen twijfel bestaat over de medische situatie in de periode in geding, is er geen aanleiding voor benoeming van een deskundige.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2019.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

IvR