Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2952

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2019
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
15/4575 AOW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:567
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 22 mei 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1851) heeft de Raad geoordeeld dat de korting op het ouderdomspensioen van [naam] standhoudt en dat de korting op de toeslag wegens niet-verzekerde jaren van appellante eveneens standhoudt. Eenzijdige verklaring Nederlandse Staat. Verzekeringspositie gezinsleden. De eenzijdige verklaring heeft geen wijziging gebracht in de ICTY-Zetelovereenkomst als zodanig. Geen sprake van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling van de Svb. Geen sprake van een verboden ongelijke behandeling tussen gezinsleden van voormalige [naam organisatie 1] -medewerkers en gezinsleden van voormalige [naam organisatie 2] -medewerkers. De redelijke termijn is met ruim 23 maanden overschreden, uitsluitend in de rechterlijke fase. Proceskosten hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/469
NJB 2019/2003
USZ 2019/304
RSV 2020/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 4575 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

26 mei 2015, 14/1476 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

Datum uitspraak: 5 september 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft C.E. Zandvliet hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn de gronden van het beroep meerdere keren aangevuld en zijn nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2018. Namens appellante is

C.E. Zandvliet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.

Het onderzoek is na de zitting heropend en de zaak is verwezen naar een meervoudige kamer.

De Minister van Buitenlandse Zaken heeft in een brief van 20 september 2018 vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 24 mei 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door C.E. Zandvliet en drs. E.C. Spiering. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

K. van Ingen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [in] 1948 en met de Nederlandse nationaliteit, heeft in 2013 een aanvraag ingediend voor een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Appellante is gehuwd met [naam] ( [naam] ), die van december 1995 tot 16 april 2007 werkzaam is geweest als chauffeur in dienst van het [naam organisatie 1] ( [naam organisatie 1] ) en vanaf 16 april 2007 in dezelfde functie in dienst van het [naam organisatie 2] ( [naam organisatie 2] ).

1.2.

Bij besluit van 9 augustus 2013 is aan appellante vanaf 28 februari 2014 een AOW-pensioen toegekend. Op dit pensioen is een korting toegepast van 36%, omdat appellante niet verzekerd werd geacht van 12 december 1995 tot en met 20 juli 2012 en van 21 juli 2012 tot en met 27 februari 2014.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 31 januari 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb appellante niet verzekerd geacht van 12 december 1995 tot en met 20 december 2013. Dit brengt nog steeds een korting van 36% met zich mee.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:284, en de uitspraak van de Raad van 13 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3783.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het Zetelverdrag inzake het [naam organisatie 1] tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties (VN) van 29 juli 1994, Trb. 1994, 189 (ICTY-Zetelverdrag) niet tot stand is gekomen conform de wettelijk eisen. Verder heeft zij gesteld dat de korting op het ouderdomspensioen in strijd is met de discriminatieverboden vervat in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Europees Sociaal Handvest. Voorts heeft zij gewezen op de eenzijdige verklaring van Nederland op 26 mei 2016 betreffende de verzekeringspositie van bepaalde gezinsleden van (voormalige) werknemers van het [naam organisatie 1] .

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Uitsluiting van de AOW-verzekering op grond van de ICTY Zetelovereenkomst

4.1.1.

Partijen zijn het oneens over de vraag of appellante verzekerd is geweest ingevolge de AOW in de periode van 11 december 1995 tot en met 20 december 2013. [naam] is in deze periode werkzaam geweest als chauffeur bij twee internationale straftribunalen, beide gevestigd in Nederland. De Svb heeft hem niet verzekerd geacht in deze jaren en heeft appellante als gezinslid evenmin verzekerd geacht. [naam] heeft de korting op zijn ouderdomspensioen en de korting op de toeslag in verband met de niet-verzekerde jaren van appellante bestreden tot in cassatie. In die procedure is een groot aantal thans door appellante aangevoerde gronden ook al aangevoerd.

4.1.2.

Bij uitspraak van 22 mei 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1851) heeft de Raad geoordeeld dat de korting op het ouderdomspensioen van [naam] standhoudt en dat de korting op de toeslag wegens niet-verzekerde jaren van appellante eveneens standhoudt. Het cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen, ECLI:NL:HR:2016:588, onder verwijzing naar het in 2 genoemde arrest van 14 februari 2014. Ter zitting van 24 mei 2018 heeft de gemachtigde van appellante verklaard dat de klacht van [naam] over de korting bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet-ontvankelijk is verklaard.

4.1.3.

De Svb heeft bij het bestreden besluit op het ouderdomspensioen van appellante een korting toegepast van 36%. Appellante is aangemerkt als gezinslid in de zin van artikel 27, tweede lid, van het ICTY-Zetelverdrag en op grond van deze bepaling uitgesloten geacht van de Nederlandse sociale zekerheid gedurende de periode waarin [naam] werkte in dienst van het [naam organisatie 1] . Voor de periode dat [naam] bij het [naam organisatie 2] heeft gewerkt, heeft de Svb hetzelfde beslist op grond van artikel 2 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het [naam organisatie 2] van 19 juni 2006, Trb. 2006, 131. In dat artikel is het ICTY-Zetelverdrag van overeenkomstige toepassing verklaard.

4.1.4.

Het bestreden besluit is in lijn met het eerdere besluit van de Svb over de korting op de toeslag bij het AOW-pensioen van [naam] . De Hoge Raad, noch de Raad, hebben aanleiding gezien te oordelen dat de vastgestelde verzekerde tijdvakken voor appellante niet in overeenstemming waren met de tekst van de betreffende Zetelverdragen. Een letterlijke lezing te goeder trouw van de verschillende artikelen, zoals door appellante bepleit, leidt niet tot een ander standpunt. Immers, als aangenomen zou moeten worden dat ieder niet in Nederland werkend gezinslid verzekerd zou zijn voor de volksverzekeringen, zou het tweede lid van artikel 27 van het ICTY-Zetelverdrag geen enkele betekenis hebben. In dit artikellid is geregeld dat verzekerd zijn voor de Nederlandse volksverzekeringen gezinsleden die in Nederland werkzaam zijn, of een Nederlandse socialezekerheidsuitkering ontvangen. In de lezing van appellante zouden de overige gezinsleden ook verzekerd moeten zijn, tenzij zij zelf onder het United Nations Pension Fund zouden vallen. Niet-werknemers van de VN vallen hier echter volgens appellante nooit onder, zodat hieruit de conclusie getrokken zou moeten worden dat alle gezinsleden verzekerd zijn voor de Nederlandse volksverzekeringen. Daarmee zou het tweede lid van artikel 27 van het ICTY-Zetelverdrag overbodig zijn.

4.2.

Eenzijdige verklaring

4.2.1.

Appellante heeft gewezen op het verzoek van de VN aan Nederland om artikel 27, tweede lid, van het ICTY-Zetelverdrag te schrappen, teneinde de opbouw van AOW-rechten te bewerkstelligen voor de gezinsleden van medewerkers van het [naam organisatie 1] die de Nederlandse nationaliteit hebben dan wel duurzaam in Nederland verblijven. Nederland heeft op dit verzoek gereageerd met een nota van 31 mei 2016, houdende een eenzijdige verklaring inzake artikel 29 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties betreffende de zetel van het Internationaal Restmechanisme voor Straftribunalen (IRMCT, Trb. 2016, 120 en 2015, 59).

Die verklaring luidt als volgt:

“In view of the request of the United Nations Legal Counsel of 21 September 2015 to amend the ICTY Headquarters Agreement to the effect that members of the family forming part of the household of the officials of the ICTY would be considered to be subject to the General Old Age Pensions Act of the Netherlands (Algemene Ouderdomswet) as of 29 July 1994, which is the date of entry into force of the ICTY Headquarters Agreement,

the Kingdom of the Netherlands, for the European part of the Netherlands, declares that

The Kingdom of the Netherlands will apply Article 29 of the Host State Agreement, including that which is implied by that Article, to the (former) ICTY and (former) ICTR, to the following extent:

In accordance with the political decision of 2010 following consultations with the (former) ICTY in 2009 and focused on the request of the United Nations Legal Counsel mentioned above, members of the family forming part of the household of the officials of the (former) ICTY and the (former) ICTR who were or have been permanent residents of the Netherlands during the period from 1 January 2009 to the date of entry into force of the Host State Agreement shall be subject to the General Old Age Pensions Act of the Kingdom of the Netherlands (Algemene Ouderdomswet) with retroactive effect from 1 January 2009.”

4.2.2.

Zoals uit deze verklaring blijkt, heeft de VN aan Nederland verzocht artikel 27, tweede lid, van het ICTY-Zetelverdrag met volledig terugwerkende kracht niet toe te passen. Blijkens de genoemde eenzijdige verklaring is Nederland daartoe niet bereid gebleken. Wel wordt vanaf 1 januari 2009 artikel 29 van het IRMCT-Zetelverdrag toegepast op de bedoelde gezinsleden van (voormalige) medewerkers van het [naam organisatie 1] . Nu [naam] op 1 januari 2009 niet meer werkzaam was voor het [naam organisatie 1] , kan appellante hieraan geen rechten ontlenen.

4.2.3.

De vraag of deze eenzijdige verklaring ook van invloed moet zijn op de verzekeringspositie van gezinsleden van (voormalige) medewerkers van het [naam organisatie 2] beantwoordt de Raad, evenals de minister van Buitenlandse Zaken in de hiervoor genoemde brief, ontkennend. De eenzijdige verklaring heeft geen wijziging gebracht in de ICTY-Zetelovereenkomst als zodanig. Daarmee is er ook geen wijziging gekomen in de overeenkomstige toepassing van deze Zetelovereenkomst op medewerkers van het [naam organisatie 2] en de bedoelde gezinsleden. In dit verband wordt opgemerkt dat de VN ook niet aan Nederland heeft verzocht gezinsleden van (oud)medewerkers van andere VN-organen dan het [naam organisatie 1] in Nederland met terugwerkende kracht als verzekerd voor de AOW te willen aanmerken.

4.3.

Artikel 91 van de Grondwet

4.3.1.

Appellante heeft gesteld dat artikel 91, eerste lid van de Grondwet is geschonden bij de totstandkoming van de ICTY-Zetelovereenkomst omdat de vereiste parlementaire goedkeuring ontbreekt. Appellante erkent dat het ontbreken van parlementaire goedkeuring niet in de weg staat aan de gelding van de ICTY-Zetelovereenkomst binnen de Nederlandse rechtsorde. Zij heeft evenwel gesteld dat de rechtsgevolgen van niet-verzekerde tijdvakken als gevolg van de ICTY-Zetelovereenkomst buiten toepassing moeten worden gelaten en dat deze tijdvakken derhalve niet tot een korting op grond van artikel 13 van de AOW kunnen leiden. Verder heeft appellante verzocht om een verklaring voor recht op dit punt ten behoeve van een mogelijke schadeprocedure.

4.3.2.

De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar stelling dat de vereiste parlementaire goedkeuring ontbreekt onder verwijzing naar artikel 3 van de Wet houdende goedkeuring van de toetreding tot het door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op

13 februari 1946 aangenomen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties (Wet van 24 december 1947). Appellante heeft ook naar dit artikel verwezen doch gesteld dat het onderhavige geval daar niet onder te brengen valt.

4.3.3.

De Raad laat in het midden of parlementaire goedkeuring van de ICTY-Zetelovereenkomst al dan niet vereist was. Op grond van artikel 120 van de Grondwet treedt de rechter immers niet in de beoordeling van de grondwettigheid van verdragen. Blijkens de grondwetsgeschiedenis bevat artikel 120 van de Grondwet (in ieder geval) een verbod van procedurele toetsing (MvA, Kamerstukken II 1979/80, 16162, 8, p. 22; zie ook HR

31 augustus 1972, NJ 1973/4). Gelet hierop is de rechter niet bevoegd verdragen te beoordelen op hun conformiteit met de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking van verdragen of eerdere procedurele voorschriften inzake de goedkeuring van verdragen.

4.3.4.

Ongeacht de vraag of parlementaire goedkeuring vereist was, heeft de Raad derhalve niet de bevoegdheid om enig rechtsgevolg te verbinden aan mogelijke schending van een procedureel voorschrift bij het sluiten van de ICTY-Zetelovereenkomst. Gegeven de werking van deze zetelovereenkomst binnen de Nederlandse rechtsorde en gelet op het overwogene onder 4.1 en 4.2, heeft de Svb terecht artikel 27, tweede lid, van deze overeenkomst toegepast bij de vaststelling van de tijdvakken van AOW-verzekering van appellante. Dit heeft tot gevolg dat geen sprake is van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling van de Svb als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad heeft reeds hierom geen rol op het gebied van pogingen van appellante om te komen tot de beoogde schadevergoeding.

4.4.

Discriminatie?

4.4.1.

De stelling van appellante dat haar uitsluiting van de AOW-verzekering gedurende de onder 1.3 genoemde tijdvakken in strijd is met een aantal verdragsrechtelijke discriminatieverboden, is in het kader van de onder 4.2.1 genoemde procedure met het oog op de toeslag op het AOW-pensioen van [naam] reeds aan de orde geweest. De Raad verwerpt deze stelling en verwijst voor de motivering hiervan naar zijn uitspraak onder nummer ECLI:NL:CRVB:2015:1851.

4.4.2.

Dat de eenzijdige verklaring ertoe heeft geleid dat vanaf 1 januari 2009 artikel 29 van het IRMCT-Zetelverdrag wel wordt toegepast op gezinsleden van (voormalige) medewerkers van het [naam organisatie 1] en niet op gezinsleden van (voormalige) medewerkers van het [naam organisatie 2] , leidt niet tot een andere conclusie. De VN hebben voor medewerkers van het [naam organisatie 2] geen verzoek ingediend om de uitsluiting van de verzekering van bepaalde categorieën van gezinsleden met terugwerkende kracht ongedaan te maken. Reeds hierom is er geen sprake van een verboden ongelijke behandeling tussen gezinsleden van voormalige [naam organisatie 1] -medewerkers en gezinsleden van voormalige [naam organisatie 2] -medewerkers.

4.5.

Conclusie

Gelet op 4.1 tot en met 4.4 treffen de stellingen van appellante geen doel. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

5. Redelijke termijn

5.1.

Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De redelijke termijn is voor een procedure in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (vergelijk de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

5.2.

Of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellante gedurende de gehele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellante.

5.3.

Voor het voorliggende geval geldt dat vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de Svb op 10 september 2013 tot aan de dag van deze uitspraak ruim vijf jaar en elf maanden zijn verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim 23 maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 2.000,-. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar minder dan zes maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn uitsluitend in de rechterlijke fase is geschonden. De Staat wordt daarom veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 2.000,-.

6. Proceskosten

Aanleiding wordt gezien om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met haar verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, wegens verleende rechtsbijstand begroot op € 512,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 2.000,-;

  • -

    veroordeelt de Svb in de kosten van appellante tot een bedrag van € 512,-;

  • -

    bepaalt dat de Svb het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 168,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van

R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2019.

(getekend) M.M. van der Kade

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde (volksverzekeringen).

lh