Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2948

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
16-09-2019
Zaaknummer
17/6553 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende feitelijke grondslag voor een gezamenlijke huishouding. Subsidiaire grondslag houdt wel stand zodat intrekking en terugvordering ook stand houdt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6553 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 10 september 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 augustus 2017, 16/10136 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.R. Rens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Rens. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Bos.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1

Appellante ontving sinds 19 september 2011 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij stond sinds

22 april 2014 in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op het adres [adres 1] (uitkeringsadres).

1.2.

Appellante heeft samen met X een kind, geboren in 2012. X ontving sinds 3 april 2014 bijstand, laatstelijk op grond van de PW naar de norm voor een dakloze. X stond sinds 6 juli 2015 in de BRP ingeschreven op adres [adres 2] .

1.3.

Naar aanleiding van de resultaten van een door de Politie Eenheid Den Haag op

20 september 2015 gestart onderzoek, hebben medewerkers van de sociale recherche van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente Den Haag (sociale recherche) onder de naam Opera een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante en X verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche dossieronderzoek gedaan. Ook heeft de sociale recherche kennis genomen van de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek, waaronder gegevens over het gebruik van de mobiele telefoon van X, tapgegevens van telefoongesprekken en getuigenverklaringen. Verder zijn aanvullende tapgegevens verkregen, zijn waarnemingen uitgevoerd bij restaurant [naam restaurant] , is de woning van appellante op 15 februari 2016 doorzocht, is op 15 en 16 februari 2016 een buurtonderzoek verricht, waarbij verschillende buurtbewoners als getuigen zijn gehoord, is appellante op 15, 16 en 23 februari 2016 gehoord en is X op 19 februari 2016 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 maart 2016 en een proces-verbaal van 4 april 2016.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

24 maart 2016 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 november 2016 (bestreden besluit), de bijstand van appellante over de periode van 22 april 2014 tot en met

14 februari 2016 (periode in geding) in te trekken. Verder heeft het college bij besluit van

31 maart 2016 (besluit 2), eveneens na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit en voor zover hier van belang, de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 27.556,30 van appellante teruggevorderd. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in de periode in geding beschikte over vermogensbestanddelen, dat zij in de periode van 30 juli 2015 tot en met 14 februari 2016 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in een restaurant en dat zij in de periode van 21 juni 2015 tot en met 14 februari 2016 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met X. Door van de vermogensbestanddelen, de op geld waardeerbare werkzaamheden en de gezamenlijke huishouding geen melding te maken heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op het hoger beroepschrift, zoals appellante ter zitting heeft bevestigd, zien de beroepsgronden uitsluitend op het standpunt van het college dat appellante in de periode van 21 juni 2015 tot en met 14 februari 2016 een gezamenlijke huishouding met X heeft gevoerd. De beroepsgronden richten zich uitdrukkelijk niet tegen het standpunt van het college dat appellante in de periode in geding vermogensbestanddelen heeft gehad en in de periode van 30 juli 2015 tot en met 14 februari 2016 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Appellante betwist nadrukkelijk dat zij en X in de periode van

21 juni 2015 tot en met 14 februari 2016 een gezamenlijke huishouding voerden. Uitsluitend op dat punt wenst appellante een oordeel van de Raad.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Het is dan aan het bijstandverlenend orgaan om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Het college dient daarom aannemelijk te maken dat appellante en X in de periode van 21 juni 2015 tot en met

14 februari 2016 een gezamenlijke huishouding voerden.

4.3.

Vaststaat dat uit de relatie van appellante en X een kind is geboren. Voor de beantwoording van de vraag of in de periode in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding is daarom ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW uitsluitend van belang of appellante en X hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

4.4.

Appellante en X stonden in de periode in geding in de BRP ingeschreven op verschillende adressen. Dat staat echter op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning. Niet in geschil is dat appellante haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. In geschil is of ook X in de periode in geding zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Gelet op 4.2 moet het college aannemelijk maken dat de woning op het uitkeringsadres ook als hoofdverblijf van X fungeerde. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar zich het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven bevindt. Dit moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.5.

Het college heeft de conclusie dat X zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had vooral gebaseerd op de zendmastgegevens van de telefoon van X, tapgegevens van zestien telefoongesprekken die appellante en X in de periode van 19 oktober 2015 tot en met

4 februari 2016 met elkaar hebben gevoerd, en op verklaringen van buurtbewoners en van een goede bekende van appellante en X.

4.5.1.

Uit de zendmastgegevens blijkt dat X in de periode 21 juni 2015 tot en met

21 september 2015 in totaal 1214 keer heeft gebeld met zijn mobiele telefoon, waarvan 717 keer met appellante. Deze gesprekken met appellante vonden plaats bij zendmasten op 950 meter afstand van het uitkeringsadres. Uit de zestien tapgegevens blijkt dat appellante X vertelt hoe laat zij klaar is met werken. Dat X zich gelet op de zendmastgegevens regelmatig in de omgeving van het uitkeringsadres ophield, betekent niet dat hij zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Dit geldt temeer nu uit de stukken blijkt dat X in de omgeving van het uitkeringsadres zijn werkterrein had. Ook uit de getapte gesprekken kan niet worden afgeleid dat X zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

4.5.2.

Vier buurtbewoners hebben verklaard dat op het uitkeringsadres een man, een vrouw en een kind wonen. De goede bekende van X en appellante heeft verklaard dat appellante en X samenwonen op het uitkeringsadres. Nog daargelaten dat niet alle buurtbewoners unaniem hebben verklaard dat X op het uitkeringsadres woonde en dat van de buurtbewoners die dat wel hebben verklaard slechts twee over de duur van de periode hebben verklaard, blijkt uit de verklaringen niet van feiten waarop de wetenschap van de buurtbewoners dat X bij appellante woont, is gebaseerd. Dat geldt ook voor de verklaring van de goede bekende van appellante en X. Gelet hierop heeft het college met de verklaringen van de buurtbewoners en van de goede bekende van appellante ook niet aannemelijk gemaakt dat X in de periode van 21 juni 2015 tot en met 14 februari 2016 zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

4.6.

Uit 4.5.1 en 4.5.2 volgt dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor de conclusie dat X in de periode van 21 juni 2015 tot en met 14 februari 2016 zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Hieruit volgt dat het college de bijstand van appellante over die periode ten onrechte op die grond heeft ingetrokken.

4.7.

Het voorgaande kan echter niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Het college heeft immers aan de intrekking van de bijstand ook ten grondslag gelegd dat appellante over de gehele periode van 22 april 2014 tot en met 15 februari 2016 de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij beschikte over vermogensbestanddelen en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over die periode niet is vast te stellen. Zoals onder 4.1 is overwogen heeft appellante dat niet bestreden. Het college heeft de bijstand dan ook terecht ingetrokken over de periode in geding.

4.8.

Tegen de terugvordering heeft appellante geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen bespreking behoeft.

4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en A.J. Schaap en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2019.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) V.Y. van Almelo

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.