Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2943

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
16-09-2019
Zaaknummer
18/3854 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken bijstand. Recht niet vast te stellen door schending inlichtingenverplichting ten aanzien van opgegeven woonadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3854 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 10 september 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

22 juni 2018, 17/4488 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.N. Gerritsen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Gerritsen en mr. L.J. van Oosterhout, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Boonstra.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 1 maart 2012 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante stond ten tijde in geding in de Basisregistratie personen ingeschreven op het adres [adres] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme tip die inhield dat appellante niet woont op het uitkeringsadres, hebben een fraudecontroleur en een handhaver van de Afdeling Handhaving van de gemeente Leeuwarden (handhavingsmedewerkers) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben de handhavingsmedewerkers op 30 mei 2017 vergeefs geprobeerd een huisbezoek af te leggen op het uitkeringsadres. Verder hebben zij in de periode 9 mei 2017 tot 29 mei 2017 vijf waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres en buurtbewoners van het uitkeringsadres gehoord. Ook hebben de handhavingsmedewerkers verbruiksgegevens van gas, elektra en water van het uitkeringsadres opgevraagd en informatie opgevraagd bij de leerplichtambtenaar van de gemeente Amsterdam. Appellante is twee keer uitgenodigd voor een gesprek waar zij niet is verschenen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 7 juni 2017.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

8 juni 2017 de bijstand van appellante met ingang van 28 november 2016 in te trekken. Door onvoldoende informatie te verstrekken over haar woonsituatie, heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.4.

Bij besluit van 14 november 2017 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van

8 juni 2017 ongegrond verklaard. Het college heeft in de door appellante verstrekte informatie en bankafschriften geen aanleiding gezien om tot een ander besluit te komen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft daarbij aangevoerd dat zij in de te beoordelen periode, die loopt van 28 november 2016 tot en met 8 juni 2017, wel haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. De reden dat zij regelmatig in [gemeente] verbleef, was dat zij alleen daar een toereikende medische behandeling kon krijgen voor haar gezondheidsklachten. Hoewel zij ook in [gemeente] verbleef, zag zij haar huis in [woonplaats] nog steeds als haar hoofdverblijf.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op wat ter zitting naar voren is gebracht, is het geschil tussen partijen beperkt tot het antwoord op de vraag of appellante in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

4.2.

In artikel 17, eerste lid, van de PW, voor zover van belang, is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Indien de betrokkene niet aan deze inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor intrekking van bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate de betrokkene recht heeft op bijstand.

4.3.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

4.4.

Waar een betrokkene zijn woonadres heeft, is daar waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven bevindt. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.5.

Het college heeft de volgende omstandigheden van belang geacht. De zoon van appellante stond vanaf 28 november 2016 ingeschreven op een basisschool in [gemeente] . Appellante had in [gemeente] een huisarts en consulteerde in die gemeente medisch specialisten. Zij had een abonnement bij een sportschool in [gemeente] . Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat appellante vrijwel uitsluitend in [gemeente] pinde. Ten slotte heeft appellante verklaard alleen vrienden en kennissen in [gemeente] te hebben. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college op basis van deze feiten en omstandigheden terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellante in de te beoordelen periode niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Uit die feiten en omstandigheden volgt immers dat het zwaartepunt van haar persoonlijk leven zich in die periode niet op het uitkeringsadres bevond. Dat haar verblijf in [gemeente] te maken had met haar gezondheidsklachten doet daar niet aan af.

4.6.

De beroepsgrond van appellante dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat zij niet wist dat zij het college op de hoogte moest stellen van haar verblijf in [gemeente] , slaagt niet. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij de juiste informatie over haar woonsituatie moest verstrekken. Door dat niet te doen heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en A.J. Schaap en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2019.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) V.Y. van Almelo