Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2941

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
17/6520 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:6567, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante heeft geen recht meer op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Zorgvuldigheid van de besluitvorming. Equality of arms. Inhoudelijke beoordeling van de rechtbank wordt gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6520 ZW

Datum uitspraak: 4 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 augustus 2017, 16/8223 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.E. Eshuis hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2019. Namens appellante is Eshuis verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als gastvrouw/telefoniste op oproepbasis. Op 3 juni 2015 heeft zij zich, terwijl zij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, ziek gemeld met diverse lichamelijke en psychische klachten. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een arts van het Uwv appellante op 1 april 2016 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 april 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 93,75% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 31 mei 2016 vastgesteld dat appellante met ingang van 2 juli 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 16 november 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 oktober 2016, een aangescherpte FML van 28 oktober 2016 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 7 november 2016 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op anamnese, eigen onderzoek door de verzekeringsarts, het gestelde in het bezwaarschrift en op de hoorzitting van 3 augustus 2016, alsmede op informatie afkomstig van de behandelend sector. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek aldus op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. In wat appellante heeft aangevoerd heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep of aan de concludentie van haar rapporten. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar stelling dat het Uwv nader onderzoek had dienen te verrichten naar de naast de fibromyalgie bestaande psychische klachten. Daarbij heeft de rechtbank relevant geacht dat de primaire verzekeringsarts appellante op 1 april 2016 onder andere psychisch heeft onderzocht. Van dat onderzoek heeft de primaire verzekeringsarts, zoals blijkt uit zijn rapport van 8 april 2016, kort samengevat gerapporteerd dat er geen kenmerken zijn van een stemmings- of depressieve stoornis, en dat er geen andere aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek zijn. De rechtbank heeft in dit verband verder van belang geacht dat het spreekuurcontact tussen de primaire verzekeringsarts en appellante op
1 april 2016 heeft plaatsgevonden, en dat die datum tamelijk dicht aanligt tegen de beoordelingsdatum, te weten 1 juni 2016. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien over te gaan tot het benoemen van een medisch deskundige. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv de functionele mogelijkheden van appellante juist heeft vastgesteld. Daarvan uitgaande kan hetgeen appellante heeft betoogd over de geschiktheid van de haar voorgehouden functies niet slagen voor zover het gebaseerd is op de stelling dat zij minder functionele mogelijkheden heeft dan door het Uwv is aangenomen. Voor het overige heeft de rechtbank geoordeeld dat door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende is toegelicht dat, ondanks signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid op enkele aspecten van de geduide functies, deze functies niettemin voor appellante geschikt moeten worden geacht.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante gesteld dat in de primaire fase noch in de bezwaarfase een lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, zodat sprake is geweest van een onzorgvuldig onderzoek. Voorts heeft appellante herhaald dat het Uwv in de FML van 28 oktober 2016 weliswaar beperkingen heeft opgenomen in verband met haar psychische klachten en fibromyalgie, maar dat het Uwv deze beperkingen heeft onderschat. Ter onderbouwing daarvan heeft appellante, naast reeds uit de bezwaar- en beroepsfase bekende stukken, een behandelverslag van Mentaal Beter Volwassenen van 7 augustus 2017 ingebracht, opgesteld door psycholoog L. Mudde en GZ-psycholoog M. de Winter. Daaruit blijkt volgens appellante dat zij dringend psychische hulp nodig heeft en dat haar vermoeidheid een belangrijk onderdeel vormt van haar psychische en lichamelijke problematiek. Appellante heeft ook een brief ingebracht van psycholoog
A.M. Slockers-Beverwijk van 7 februari 2017, waarin is vermeld dat de problematiek van appellante niet kan worden behandeld in de basis GGZ, en dat zij verwezen wordt naar de specialistische GGZ. Appellante heeft, mede onder verwijzing naar het arrest Korošec van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015: 1008JUD007721212), de Raad verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. In dat kader heeft het Uwv onder meer gewezen op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 november 2017, waarin deze ingaat op het door appellante overgelegde behandelverslag van Mentaal Beter Volwassenen van 7 augustus 2017.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

Ter zitting van de Raad is vastgesteld dat het hoger beroep van appellante zich toespitst op de vraag of het Uwv in de FML van 28 oktober 2016 meer beperkingen had moeten opnemen in verband met haar psychische klachten en fibromyalgie, waaronder haar vermoeidheid, ter zitting geduid als mogelijk CVS.

4.3.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, heeft de Raad de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. De stelling van appellante dat het op grond van het beginsel van equality of arms noodzakelijk is dat deze Raad een onafhankelijke deskundige benoemt is aanleiding om aan de hand van de in de uitspraak van 30 juni 2017 onderscheiden stappen te beoordelen of sprake is geweest van zorgvuldige besluitvorming, vervolgens of sprake is van equality of arms tussen partijen, waarna als derde stap een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit volgt.

Stap 1: zorgvuldigheid van de besluitvorming

4.4.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Wat de rechtbank hierover heeft overwogen wordt onderschreven. Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat in de primaire fase geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Uit het rapport van 8 april 2016 van de arts van het Uwv blijkt dat sprake is geweest van een lichamelijk onderzoek naar de rug en de handen. Er bestaat geen aanleiding daaraan te twijfelen. Daarbij wordt aangetekend dat bevindingen van de arts die zijn gebaseerd op observaties van de bewegingen van appellante tijdens het spreekuur ook vallen onder lichamelijk onderzoek. In de bezwaarfase heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in overleg met appellante en haar gemachtigde afgezien van lichamelijk onderzoek. De arts van het Uwv heeft vanwege de door de fibromyalgie ervaren pijn en vermoeidheid in verschillende rubrieken van de FML beperkingen aangenomen, die door de verzekeringsarts bezwaar en beroep verder zijn aangescherpt. De door appellante ingebrachte medische informatie van haar behandelaars biedt geen aanknopingspunt om te oordelen dat het verrichte (lichamelijk) onderzoek te beperkt is geweest.

Stap 2: equality of arms

4.5.

Er is geen reden om aan te nemen dat appellante belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Appellante heeft in de procedure voldoende ruimte gehad om daartoe medische stukken in te dienen. Die ruimte heeft zij ook benut, door inzending van gegevens van 3 augustus 2016 van haar reumatoloog (in de bezwaarfase), het eindrapport van 29 mei 2017 van het door haar gevolgde revalidatieprogramma bij het OCA (in de beroepsfase) en het behandelverslag van Mentaal Beter Volwassenen van 7 augustus 2017 (in de hogerberoepsfase). Volgens appellante dient de Raad een deskundige op het gebied van CVS te benoemen, nu zij financieel niet in staat is zelf een deskundige in te schakelen. Het arrest Korošec brengt echter niet met zich mee dat, als er wel stukken uit de behandelend medische sector zijn ingebracht, de equality of arms geschonden is door het enkele feit dat door betrokkene niet zelf een rapport van een ingeschakelde deskundige is ingebracht. De brieven van de reumatoloog, het eindrapport van het revalidatieprogramma bij het OCA en het behandelverslag van Mentaal Beter Volwassenen bevatten informatie over de psychische klachten en de klachten als gevolg van fibromyalgie. Deze informatie is naar zijn aard geschikt om twijfel te zaaien aan de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv, met inbegrip van de conclusies over de belastbaarheid van appellante. Er is daarom geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms en geen aanleiding om op die grond een deskundige in te schakelen. Het door appellante gestelde financiële onvermogen speelt hierbij verder geen rol.

Stap 3: inhoudelijke beoordeling

4.6.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Wat de rechtbank hierover heeft overwogen wordt onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.6.1.

De in hoger beroep herhaalde grond dat het Uwv in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met de lichamelijke en psychische beperkingen van appellante treft geen doel. De arts van het Uwv heeft appellante gesproken, lichamelijk en psychisch onderzoek verricht en informatie van reumatoloog M. van Oosterhout van 7 augustus 2015 bij de beoordeling betrokken. In het rapport van 8 april 2016 heeft de arts van het Uwv vastgesteld dat appellante geen kenmerken heeft van een stemmings- of depressieve stoornis, en dat er ook geen andere aanwijzingen zijn voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. De arts heeft tevens gesteld dat appellante vanwege de ervaren pijn en vermoeidheid geen zwaar lichamelijk werk kan verrichten, maar dat zij niet aan de criteria voldoet voor een urenbeperking. In de FML van 11 april 2016 heeft de arts de voor appellante geldende beperkingen neergelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante gesproken en geobserveerd tijdens de hoorzitting, en informatie van de reumatoloog van 3 augustus 2016 bij de beoordeling betrokken. In haar rapport van 27 oktober 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader gemotiveerd waarom er geen redenen zijn om een urenbeperking aan te nemen, maar waarom er wel aanleiding is om de door de primaire arts opgestelde FML op een aantal punten aan te vullen. Deze aanvullende beperkingen zijn opgenomen in de FML van 28 oktober 2016. De gedingstukken bevatten geen aanknopingspunten om de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen in dit oordeel.

4.6.2.

In hoger beroep heeft appellante een behandelverslag van Mentaal Beter Volwassenen van 7 augustus 2017 ingebracht, opgesteld door psycholoog L. Mudde en GZ-psycholoog
M. de Winter. In dit verslag is als DSM-5 classificatie genoemd: een somatische symptoomstoornis met voornamelijk pijn-matig en een aanpassingsstoornis met gemengd angstige en sombere stemming. Ook wordt overwogen dat het gezien de lopende rechtszaak tegen het Uwv geen goed moment is om een behandeling te starten, en dat appellante het meest is gebaat bij een psychologische behandeling gericht op (het omgaan met) de pijnklachten. In een rapport van 29 november 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, in reactie op het behandelverslag, gesteld dat Mentaal Beter Volwassenen met de somatische symptoomstoornis doelt op de fibromyalgie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder vermeld dat een aanpassingsstoornis optreedt wanneer sprake is van aanhoudende stress als reactie op een ingrijpende verandering in iemands leven. Een aanpassingsstoornis wordt beschouwd als een psychische aandoening, maar de klachten zijn milder dan bij een depressieve stoornis of een angststoornis, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In het geval van appellante is de stressfactor verlies van werk, dreigend verlies van inkomen en de strijd met het Uwv, welke voortdurende strijdsituatie een succesvolle behandeling belemmert. Appellante wordt dan ook door Mentaal Beter Volwassenen verwezen naar een behandeling die is gericht op (het omgaan met) de pijnklachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat het behandelverslag geen aanleiding geeft het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Dat toereikend gemotiveerde standpunt wordt onderschreven.

4.6.3.

De in hoger beroep ingebrachte brief van psycholoog A.M. Slockers-Beverwijk van 7 februari 2017 geeft geen aanknopingspunten om de vastgestelde belastbaarheid in twijfel te trekken. Deze brief bevat geen medisch inhoudelijke informatie en ziet bovendien niet op de datum in geding.

4.6.4.

Nu geen twijfel bestaat aan de medische grondslag van het bestreden besluit, wordt het verzoek om raadpleging van een onafhankelijke deskundige afgewezen.

4.7.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.7 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2019.

(getekend) S. Wijna

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

md