Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2936

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2019
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
15/2620 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft ter zitting te kennen gegeven dat er nog geen uitvoering is gegeven aan de gewijzigde beslissing op bezwaar en dat dit alsnog in werking zal worden gezet. Bij de uitwerking hiervan zal de wettelijke rente ook bepaald worden. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken. Schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 2620 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:73a, 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2015, 13/2672 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

Datum uitspraak: 5 september 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H.J. van Geffen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Geffen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

De Raad heeft het onderzoek in de zaak heropend.

Het Uwv heeft nadere rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingebracht.

De Raad heeft dr. H.N. Sno, psychiater, benoemd als deskundige. De deskundige heeft op 3 mei 2018 een rapport uitgebracht. Naar aanleiding van de zienswijzen van partijen heeft de deskundige op 21 augustus 2018 gereageerd.

Het Uwv heeft op 7 januari 2019 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Bij brief van 20 maart 2019 heeft appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep en tot vergoeding van schade ten gevolge van het overschrijden van de redelijke termijn.

Het Uwv is in de gelegenheid gesteld om een verweerschrift in te dienen.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2019. Appellante was aanwezig, bijgestaan door mr. Van Geffen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 juli 2013. Ingevolge artikel 8:73a (oud) van de Awb kan, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 van de Awb worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

1.2.

Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 7 januari 2019 geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.

1.3.

Tijdens de zitting van 25 juli 2019 heeft appellante te kennen gegeven dat zij haar verzoek om het Uwv te veroordelen in de proceskosten graag ter zitting wilde toelichten om kenbaar te maken dat de handelswijze van het Uwv zeer zwaar voor haar is geweest; er is niet naar haar geluisterd. Het Uwv heeft ter zitting te kennen gegeven dat er nog geen uitvoering is gegeven aan de gewijzigde beslissing op bezwaar en dat dit alsnog in werking zal worden gezet. Bij de uitwerking hiervan zal de wettelijke rente ook bepaald worden.

2.1.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.024,- in bezwaar, € 1.280,- in beroep en € 1.536,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 3.840,-.

2.2.

Met betrekking tot de gemaakte kosten van € 37,99 in verband met het opvragen van medische informatie in beroep, is de Raad van oordeel dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

3.1.

Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geldt het volgende.

3.2.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

3.3.

Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 21 december 2012 tot de datum van de intrekking van het hoger beroep op 20 maart 2019 heeft de procedure afgerond zes jaar en drie maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met twee jaar en drie maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 2.500,-. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van het Uwv minder dan een half jaar geduurd. Er is sprake van overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter, zodat de te betalen schadevergoeding voor rekening is van de Staat.

3.4.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de Staat veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan appellante tot een bedrag van € 500,- omdat de behandelingsduur in de rechterlijke fase op de datum van de aangevallen uitspraak meer dan anderhalf jaar in beslag had genomen. Dit betekent dat de Staat nu wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 2.000,-.

4. Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep in verband met overschrijding van de redelijke termijn, waarbij wordt volstaan met toekenning van 0,5 punt voor de behandeling ter nadere zitting met toepassing van een wegingsfactor van 0,5. De kosten in hoger beroep worden begroot op € 128,-.

5. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente wordt toegewezen. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente zoals onder

5 is vermeld;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.877,99;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van

een vergoeding van schade aan appellante tot een bedrag van € 2.000;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten

van appellante tot een bedrag van € 128,-.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2019.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) C.I. Heijkoop

VC