Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2922

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2019
Datum publicatie
11-09-2019
Zaaknummer
17/4144 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een faillissementsuitkering. Geoordeeld wordt dat appellant met de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij met werkgeefster is overeengekomen dat zijn ontslagneming als bestuurder niet ook het ontslag in arbeidsrechtelijke zin betrof. Hiervoor is onvoldoende dat appellant na de uitschrijving bij de KvK nog activiteiten heeft verricht ten behoeve van werkgeefster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2019-0038
USZ 2019/320 met annotatie van Boot, G.C.
JONDR 2019/1196
RSV 2019/271
RI 2020/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4144 WW

Datum uitspraak: 28 augustus 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
24 april 2017, 16/4667 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2019. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is volgens zijn opgave vanaf 7 februari 2014 werkzaam geweest als directeur bij [BV 1] (werkgeefster). Hij was tevens statutair bestuurder van werkgeefster. [BV 2] was voor 99% aandeelhouder van werkgeefster en werkgeefster was via [BV 3] enig aandeelhouder van vier vennootschappen. De vennootschappen vormden gezamenlijk de [Groep] . Appellant had, naar eigen zeggen, een minderheidsbelang in [BV 2] Op 6 november 2014 is appellant bij de Kamer van Koophandel (KvK) uitgeschreven als statutair bestuurder van werkgeefster.

1.2.

Werkgeefster is op 28 oktober 2015 in staat van faillissement verklaard. Bij brief van 5 november 2015 heeft de curator de arbeidsovereenkomst van werkgeefster met appellant, voor zover van toepassing en voor zover vereist, opgezegd tegen de eerst mogelijke datum.

Op 26 november 2015 heeft appellant bij het Uwv een aanvraag ingediend tot overname van de betalingsverplichtingen van zijn gefailleerde werkgeefster op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) (faillissementsuitkering). Hierop is door de afdeling Handhaving van het Uwv een onderzoek gestart naar de arbeidsverhouding van appellant, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 1 maart 2016.

1.3.

Bij besluit van 21 maart 2016 heeft het Uwv appellant de aanvraag om de faillissementsuitkering afgewezen, omdat appellant geen werknemer is in de zin van artikel 3 van de WW. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 1 september 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat vaststaat dat appellant zich op 6 november 2014 bij de KvK heeft laten uitschrijven als bestuurder van werkgeefster. Hiermee is volgens het Uwv ook de arbeidsovereenkomst van appellant als directeur beëindigd. Niet is gebleken dat appellant na 6 november 2014 opnieuw in dienst is getreden bij werkgeefster. Voor zover appellant na deze datum nog werkzaamheden heeft verricht voor werkgeefster, is dit volgens het Uwv niet als werknemer geweest, maar zijn deze werkzaamheden uitgevoerd in relatie tot het aandeelhouderschap van appellant.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
Na inleidende bewegingen binnen het bestuur van werkgeefster, heeft appellant zich in november 2014 uitgeschreven als directeur van werkgeefster. Verder heeft appellant een afwezigheidsreply op zijn e-mail aangezet met daarin dezelfde strekking, namelijk dat hij per 1 november 2014 niet meer voor werkgeefster werkzaam was. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze gang van zaken dat appellant zichzelf op eigen initiatief heeft uitgeschreven bij de KvK en aan alle relaties heeft laten weten dat hij zijn functie niet meer uitoefende. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad (de zogenoemde ‘15 april arresten’, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2005:AS2032) volgt dat ontslagneming door een statutair directeur in beginsel tevens het einde van zijn arbeidsovereenkomst tot gevolg heeft. Voor een uitzondering is slechts plaats indien een wettelijk ontslagverbod aan de beëindiging in de weg staat of indien partijen anders zijn overeengekomen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat appellant de hoedanigheid van bestuurder heeft verloren met het uitschrijven bij de KvK en dat de arbeidsovereenkomst daardoor per 1 november 2014 is beëindigd. Uit de feitelijke gang van zaken blijkt dat dit de bedoeling van appellant was.

2.2.

Vervolgens heeft de rechtbank beoordeeld of appellant en werkgeefster na
1 november 2014 de dienstbetrekking hebben voortgezet of eventueel een nieuwe dienstbetrekking zijn aangegaan, waarbij van belang is dat voor het voortzetten van de dienstbetrekking expliciet is vereist dat partijen zijn overeengekomen dat zij niet de beëindiging van de dienstbetrekking voor ogen hebben gehad. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Een nieuwe arbeidsovereenkomst ontbreekt, er zijn geen gegevens over appellant in de personeelsadministratie te vinden en er liggen verklaringen van twee bestuurders, [naam 1] en [naam 2] , waarin zij het bestaan van een (nieuwe) arbeidsovereenkomst hebben betwist. Er hebben wel loonbetalingen na 1 november 2014 plaatsgevonden, maar die zijn door appellant zelf verricht. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt twee verklaringen van [naam 5] , mede-aandeelhouder van [BV 2] , en [naam 3] , een zakenpartner, overgelegd, maar uit geen van beide verklaringen volgt ondubbelzinnig dat appellant zijn werkzaamheden als werknemer heeft verricht. Veeleer moet het ervoor worden gehouden dat de activiteiten zijn verricht met het oog op het veiligstellen van zijn aandeel dan wel voor het behoud van de familierelatie. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken van een serieuze werkgever-werknemer relatie.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv ten onrechte de aanvraag voor een faillissementsuitkering heeft afgewezen. Ter zitting heeft appellant toegelicht dat al een paar maanden na zijn aanstelling als directeur duidelijk was dat [naam 1] en [naam 2] niet met hem verder wilden. Volgens appellant is toen mondeling overeengekomen met [naam 1] en [naam 2] dat hij per november 2014 zou aftreden als bestuurder en dat daarnaast een vaststellingsovereenkomst zou worden ondertekend om de arbeidsovereenkomst van appellant als directeur te beëindigen, zodat appellant aanspraak kon maken op een WW-uitkering. Appellant heeft zich in overeenstemming hiermee als bestuurder uitgeschreven bij de KvK. Er is echter geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen, omdat de in concept opgestelde vaststellingsovereenkomst volgens appellant juridisch niet correct was. Hij heeft haar daarom niet ondertekend. Appellant heeft na de uitschrijving bij de KvK in opdracht van het bestuur van werkgeefster nog werkzaamheden verricht en hij heeft hiervoor loon ontvangen. De verklaringen van [naam 1] en [naam 2] zijn volgens appellant onjuist. Gelet op deze omstandigheden is appellant van mening dat hij ook na 1 november 2014 als werknemer in dienst is gebleven van werkgeefster.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de WW is werknemer de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.

4.2.

In artikel 61, eerste lid, van de WW is bepaald – voor zover hier relevant – dat een werknemer recht heeft op een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag te vorderen heeft.

4.3.

Ter beoordeling ligt voor of het Uwv terecht de aanvraag van appellant voor een faillissementsuitkering heeft afgewezen op de grond dat hij niet als werknemer verzekerd is voor de WW. Meer in het bijzonder dient de vraag te worden beantwoord of appellant ten tijde van het faillissement van werkgeefster, 28 oktober 2015, in een dienstbetrekking werkzaam was bij werkgeefster.

4.4.1.

Niet in geschil is dat appellant zich per 6 november 2014 als bestuurder heeft uitgeschreven bij de KvK. Appellant heeft niet betwist dat hij met deze uitschrijving ontslag heeft genomen als bestuurder. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2713) heeft de ontslagname van appellant als bestuurder in beginsel tevens de beëindiging van de dienstbetrekking van appellant tot gevolg. Voor een uitzondering is slechts plaats indien een wettelijk ontslagverbod aan die beëindiging in de weg staat of indien partijen anders zijn overeengekomen. Indien een statutair bestuurder eenzijdig zijn functie neerlegt, is voor effectuering van het ontslag aanvaarding van de ontslagneming door de rechtspersoon niet vereist.

4.4.2.

Geoordeeld wordt dat appellant met de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij met werkgeefster is overeengekomen dat zijn ontslagneming als bestuurder niet ook het ontslag in arbeidsrechtelijke zin betrof. Hiervoor is onvoldoende dat appellant na de uitschrijving bij de KvK nog activiteiten heeft verricht ten behoeve van werkgeefster. De betalingen die appellant in de periode van november 2014 tot en met maart 2015 onder de noemer loon heeft ontvangen, heeft appellant zelf verricht en werkgeefster heeft de rechtmatigheid van deze betalingen betwist. Hoewel uit de stukken blijkt dat appellant na zijn uitschrijving bij de KvK nog enige activiteiten heeft verricht ten behoeve van werkgeefster, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij deze werkzaamheden als werknemer heeft verricht. In dit verband is van belang dat uit de stukken blijkt dat appellant zowel intern binnen de [Groep] als naar externe relaties van werkgeefster kenbaar heeft gemaakt dat hij vanaf 1 november 2014 niet meer in dienst is van werkgeefster. Dit blijkt niet alleen uit de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] en de afwezigheidsreply op de e-mail van appellant, maar ook uit de verklaring van [naam 4] van 13 oktober 2015, werkzaam bij de [Groep] , dat appellant tijdens een intern overleg in oktober 2014 te kennen heeft gegeven per 1 november 2014 te vertrekken, een e-mailbericht van 7 november 2014 van appellant aan een medewerker van [bedrijf] , waarin hij vermeldt dat hij per 1 november 2014 niet meer in dienst is bij werkgeefster en een e-mailbericht van 16 januari 2015 van appellant aan een crediteur, waarin appellant vermeldt dat hij per 1 november 2014 zijn bevoegdheden heeft overgedragen aan [naam 2] . Het oordeel van de rechtbank dat uit de verklaringen van [naam 5] en [naam 6] niet ondubbelzinnig volgt dat appellant zijn werkzaamheden na 1 november 2014 als werknemer heeft verricht, wordt onderschreven. In hoger beroep heeft appellant geen nadere stukken ingediend, die leiden tot een ander oordeel.

4.4.3.

Dat aan appellant in mei 2015 een vaststellingsovereenkomst door werkgeefster is aangeboden, maakt niet dat moet worden geconcludeerd dat appellant na 1 november 2014 als werknemer voor werkgeefster heeft gewerkt. Uit de stukken blijkt dat het aanbieden van een vaststellingsovereenkomst op grond van andere motieven is gedaan.

4.5.

Uit wat is overwogen in 4.4.1 tot en met 4.4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2019.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) D.S. Barthel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip werknemer.

md