Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2920

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2019
Datum publicatie
09-09-2019
Zaaknummer
18/939 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen in verband met op geld waardeerbare werkzaamheden bij sportschool. Op niet onredelijke wijze schattenderwijs vaststellen van het recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 939 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 27 augustus 2019

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 januari 2018, 17/1750 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Súdwest Fryslân (college)

Zitting heeft: mr. M. Hillen

Griffier: A. Pasmans

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. H.A. de Boer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E.S. Acda.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Bij besluit van 17 oktober 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 maart 2017 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016 herzien. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet aan het college te melden dat zij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in de sportschool van [X] (X). Het college heeft de bijstand herzien door het aantal gewerkte uren en bijbehorend inkomen schattenderwijs vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij geen op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht op de sportschool. Zij heeft alleen meegekeken met de boekhouding en andere administratieve handelingen om later eventueel wel loonvormend te kunnen werken. Voorts heeft zij aangevoerd dat geen nadeel is ontstaan voor het college, aangezien appellante met haar werkzaamheden geen geld heeft verdiend en er ook geen geld mee heeft kunnen verdienen.

4. De beroepsgronden slagen niet. Uit de verklaringen van appellante en X blijkt dat appellante diverse activiteiten voor de sportschool van X heeft verricht die verder gaan dan enkel meekijken. Appellante was van maandag tot en met vrijdag in de ochtenden aanwezig in de sportschool, gemiddeld vijftien uur per week. Zij deed dan kantinewerk, administratieve taken en sprong bij waar nodig. Gelet op de aard en omvang van deze activiteiten is sprake van het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden. Dat appellante geen inkomsten heeft ontvangen maakt dan dus niet uit. Appellante had immers inkomsten voor haar werkzaamheden kunnen bedingen. De omstandigheid dat X een reguliere beloning niet had kunnen bekostigen doet hieraan niet af.

5. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn, dat zij deze werkzaamheden had moeten melden bij het college. Door dit na te laten heeft appellante geen juiste en volledige informatie verstrekt. Daarmee heeft zij de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

6. Voor zover appellante heeft aangevoerd dat haar van deze schending geen verwijt kan worden gemaakt slaagt deze beroepsgrond niet. De inlichtingenverplichting is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij de vraag naar verwijtbaarheid geen rol speelt. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden van invloed kan zijn op het recht op bijstand. Daarom is niet van belang dat appellante niet wist dat zij dit moest melden.

7. Het college heeft het aantal gewerkte uren en bijbehorend inkomen schattenderwijs vastgesteld op één uur per dag gedurende vijf dagen per week tegen het wettelijk minimumloon. De hiervoor ter zitting namens het college gegeven uitleg acht de Raad niet onredelijk.

8. Dit betekent dat het college de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016 terecht heeft herzien en dat het hoger beroep niet slaagt.

9. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) A. Pasmans (getekend) M. Hillen