Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2918

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2019
Datum publicatie
11-09-2019
Zaaknummer
18/5186 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Gezien de aan het besluit van 29 september 2017 ten grondslag liggende overwegingen, waarmee feitelijk wordt erkend dat het [hotel 2] in het geval van appellant niet voldoet, is onvoldoende gemotiveerd waarom het verblijf in het [hotel 2] voor appellant nu wel als adequaat en proportioneel moet worden gezien. Het bestreden besluit berust niet op een draagkrachtige motivering en komt wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Nu niet op voorhand kan worden vastgesteld dat herstel van het motiveringsgebrek zal leiden tot een toekenning, zal de Raad niet zelf in de zaak voorzien. Verweerder zal een nieuwe beslissing moeten nemen op het bezwaar van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5186 WUV

Datum uitspraak: 5 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 augustus 2018, kenmerk BZ011207119 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schenkhuizen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1939, is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wuv. Aan hem zijn verschillende voorzieningen op grond van de Wuv toegekend.

1.2.

Bij besluit van 3 april 2017 is aan appellant met ingang van 1 januari 2017 een vergoeding toegekend voor vijf maal een hotelovernachting, elk voorafgaand aan de poliklinische behandeling in Centrum ’45, in een door Centrum ’45 geselecteerd hotel.

1.3.

Appellant is bij besluit van 17 augustus 2017 met ingang van 1 mei 2017 opnieuw in aanmerking gebracht voor een vergoeding van vijf hotelovernachtingen, voorafgaand aan de poliklinische behandeling in Centrum ’45, in een door Centrum ’45 geselecteerd hotel. Daarbij is vermeld dat de vergoeding volgt op de vergoeding die bij besluit van

3 april 2017 aan hem is toegekend en duurt tot de start van zijn dagbehandeling in Centrum ’45.

1.4.

Bij betalingsbeschikkingen van 21 juli 2017 heeft verweerder de door appellant gedeclareerde kosten van een tweetal overnachtingen in juni en juli 2017 in [hotel 1] vanwege de poliklinische behandeling in Centrum ’45 niet vergoed, omdat dit hotel niet behoort tot een door Centrum ’45 geselecteerd hotel zoals voorgeschreven in het besluit van

3 april 2017. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 29 september 2017 in zoverre gegrond verklaard dat aan appellant alsnog een vergoeding is toegekend voor het overnachten in een ander hotel dan het door Centrum ’45 geselecteerde [hotel 2] .

1.5.

In november 2017 en januari 2018 heeft appellant kosten gedeclareerd van hotelovernachtingen in [locatie] in verband met zijn dagbehandeling bij Centrum ’45. Verweerder heeft die verzoeken afgewezen bij betalingsbeschikkingen van

6 april 2018, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 20 van de Wuv worden, kort samengevat, indien de vervolgde ziekten of gebreken heeft die door of in verband met de vervolging zijn ontstaan, de daarmee direct verband houdende extra kosten voor noodzakelijke voorzieningen volledig vergoed.

2.2.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door appellant gedeclareerde kosten van hotelovernachtingen voorafgaand aan de dagbehandeling in Centrum ’45 niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat de geboden mogelijkheid van een verblijf in het [hotel 2] als een adequate en proportionele oplossing wordt gezien.

2.3.

Vaststaat dat appellant een vergoeding is toegekend van de hotelovernachtingen voorafgaand aan de poliklinische behandeling in een door Centrum ’45 geselecteerd hotel. Appellant heeft toen enkele malen overnacht in het door Centrum ’45 geselecteerde hotel, te weten: het [hotel 2] . In dat hotel ervoer appellant overlast waardoor hij niet goed kon slapen. Dat is voor verweerder reden geweest om bij het onder 1.4 genoemde besluit van

29 september 2017 de kosten van een hotel voor maximaal € 100,- per nacht te vergoeden in een hotel naar keuze. Gezien de aan het besluit van 29 september 2017 ten grondslag liggende overwegingen, waarmee feitelijk wordt erkend dat het [hotel 2] in het geval van appellant niet voldoet, is onvoldoende gemotiveerd waarom het verblijf in het [hotel 2] voor appellant nu wel als adequaat en proportioneel moet worden gezien. De overweging in het bestreden besluit dat het verblijf in een ander hotel dan het [hotel 2] een eigen keuze van appellant is, kan de Raad in het licht van het besluit van 29 september 2017 dan ook onvoldoende volgen.

2.4.

Uit 2.3 volgt dat het beroep slaagt. Het bestreden besluit berust niet op een draagkrachtige motivering en komt wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. Nu niet op voorhand kan worden vastgesteld dat herstel van het motiveringsgebrek zal leiden tot een toekenning, zal de Raad niet zelf in de zaak voorzien. Verweerder zal een nieuwe beslissing moeten nemen op het bezwaar van appellant.

3. Aanleiding bestaat om verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- aan in beroep verleende rechtsbijstand en € 99,36 aan reiskosten in bezwaar en beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 16 augustus 2018;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van

deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.123,36;

- bepaalt dat verweerder aan appellant het in beroep betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) A.A.H. Ibrahim

md