Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2915

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
18/3041 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

LFNP. Herplaatsingskandidaat. Artikel 55v Barp. Appellant heeft ook naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk gemaakt dat hij in overwegende mate de niveaubepalende elementen uitoefent van de door hem geambieerde functie van Senior [C]. De Raad kan zich vinden in wat de rechtbank in dit verband heeft overwogen. De door appellant genoemde werkzaamheden zijn, zoals de korpschef in het bestreden besluit heeft overwogen en zoals ter zitting van de Raad overtuigend is toegelicht, veeleer te herleiden tot de in de LFNP-beschrijving van de functie van Senior [B] vermelde Activiteiten en resultaten ‘Verzamelen gegevens’ en ‘Gegevensbewerking’. Dergelijke werkzaamheden zijn weliswaar aan [C] ondersteunende werkzaamheden, maar deze werkzaamheden kunnen daarmee nog niet worden gelijkgesteld met werkzaamheden behorende tot het vakgebied van [C]. Het beroep op RAAF, Stcrt. 2016, 38696, leidt niet tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3041 AW

Datum uitspraak: 5 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 25 april 2018, 17/3459 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens de korpschef heeft mr. M.H. Horst, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dammingh. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N.J. Mathura en G. Tunali.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was voor de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nationale Politie (LFNP) werkzaam in de (korps)functie van [functie] , belast met de taken van [rechercheur A], gewaardeerd in salarisschaal 8.

1.2.

Bij besluit van 1 december 2015 heeft de korpschef de oorspronkelijke functie van appellant voor de reorganisatie Politiewet 2012 vastgesteld op de functie van Senior [B], gewaardeerd in salarisschaal 8, de LFNP-functie waarnaar appellant op

1 januari 2012 is overgegaan.

1.3.

Bij besluit van 10 juni 2016 heeft de korpschef appellant met ingang van 1 juli 2016 aangewezen als herplaatsingskandidaat en besloten hem nog niet te herplaatsen, aangezien de plaatsingsadviescommissie geen passende functie voor appellant heeft gevonden.

1.4.

Bij brief van 10 augustus 2016 heeft de teamchef van appellant bevestigd dat appellant de werkzaamheden die behoren bij de LFNP-functie van Senior [C], in de rol van [rechercheur A], bij het team [X], blijft uitvoeren. Opgemerkt is dat appellant deze werkzaamheden blijft verrichten totdat een formeel besluit is genomen tot plaatsing van appellant en dat de formele uitgangspositie van appellant in het kader van de reorganisatie ongewijzigd blijft. Voorts is aangetekend dat vanuit het Landelijk Mobiliteitscentrum ondersteuning zal worden geboden bij het vinden van een duurzame passende functie.

1.5.

Bij besluit van 24 mei 2017 (bestreden besluit 1) heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit van 10 juni 2016 ongegrond verklaard.

1.6.

Tegen bestreden besluit 1 heeft appellant beroep ingesteld. Hangende dit beroep heeft de korpschef op 9 maart 2018 een aanvullende beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen, waarbij alsnog is ingegaan op het door appellant in bezwaar gedane beroep op de Notitie tijdelijke tewerkstellingen in fase 2 (Notitie) en dit beroep is afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1, zoals aangevuld bij bestreden besluit 2, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, kort samengevat, overwogen dat de korpschef zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij - in overwegende mate de niveaubepalende elementen van - de door hem geambieerde functie van Senior [C] uitoefent. Het door appellant gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin, omdat appellant zijn stelling in zoverre niet aan de hand van concrete gevallen heeft onderbouwd. Nu pas met het nemen van bestreden besluit 2 sprake is van een volledige heroverweging van het bezwaar en appellant dus terecht beroep heeft ingesteld, heeft de rechtbank aanleiding gezien om de korpschef in de proceskosten te veroordelen. Tevens heeft de rechtbank de korpschef opgedragen om het door appellant betaalde griffierecht te vergoeden.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 1, zoals aangevuld bij bestreden besluit 2, ongegrond is verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het kader en de van toepassing zijnde regelgeving betreffende dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 21 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1843, en van 19 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:610.

4.2.

Het geschil spitst zich (ook) in hoger beroep toe op de vraag of appellant een geslaagd beroep toekomt op de Notitie en ‘Aanvulling werkinstructie inzake Tijdelijke tewerkstellingen in de periode tot 1 juli 2016’ van 7 december 2016 (Aanvulling) en of er zodoende aanleiding bestaat om hem te plaatsen op de door hem geambieerde functie van Senior [C].

4.3.

In artikel 55v van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) is bepaald dat indien de toepassing van hoofdstuk VII.b (Voorzieningen bij reorganisaties) of de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk in individuele gevallen leidt tot onbillijkheden van overwegende aard of indien sprake is van een bijzondere situatie van een individuele herplaatsingskandidaat, het bevoegd gezag, na afweging van de belangen van het individu en van de organisatie, kan afwijken van dit hoofdstuk of van de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk.

4.4.

De Notitie en de Aanvulling vormen een uitwerking van de in artikel 55v van het Barp neergelegde hardheidsclausule voor die situaties dat een medewerker gedurende fase 1 van de reorganisatie (dus tot juli 2016) gedurende een periode van drie jaar tijdelijk was tewerkgesteld in een andere functie. Om in aanmerking te komen voor plaatsing op de gewenste functie dient aan vier cumulatieve criteria te worden voldaan:

- De betrokkene dient de door hem gevraagde LFNP-functie gedurende minimaal drie jaar voorafgaand aan 1 juli 2016 ononderbroken uit te hebben geoefend. De vraag of de gewenste functie daadwerkelijk is uitgevoerd moet worden beantwoord aan de hand van de niveaubepalende elementen van die functie. Noodzakelijk is dat vastgesteld wordt dat door het uitoefenen van de tijdelijke werkzaamheden in overwegende mate is voldaan aan de niveaubepalende elementen van de andere functie. Deze zijn omschreven in het onderdeel “kern van de functie van de betreffende LFNP-functie”;

- De tewerkstelling dient schriftelijk te kunnen worden onderbouwd door de medewerker;

- De gewenste functie moet zijn ingericht in de nieuwe formatie. Er moet dus sprake zijn van werkzaamheden die vanuit het bedrijfsvoeringsbelang ook na de reorganisatie worden gecontinueerd;

- Het functioneren van de medewerker dient voldoende te zijn.

4.5.

De kern van de functie van Senior [C] behelst blijkens de betreffende LFNP-beschrijving het volgende:

“De Senior [C] draagt bij aan de handhaving van de rechtsorde (criminaliteitsbestrijding) en aan veiligheid in de samenleving door het − in het kader van voorbereiding, mede aan de hand van beschikbare formats − opstellen van plannen van aanpak. Hij verricht zaakscoördinatie en voert daarnaast zelfstandig (werkterreingerelateerd) tactisch opsporingsonderzoek uit. De Senior [C] bouwt en onderhoudt (nieuwe) (werkterreingerelateerde) netwerken ten behoeve van opsporingsonderzoeken en maakt uitvoeringsafspraken. Hij doet voorstellen vanuit de opsporingspraktijk tot verbeteringen in de uitvoering van (werkterreingerelateerd) tactisch opsporingsonderzoek en implementeert vastgestelde verbe[te]ringen. De Senior [C] bevordert als mentor de professionaliteit van collega’s.”

4.6.1.

Appellant heeft ook naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk gemaakt dat hij in overwegende mate de niveaubepalende elementen uitoefent van de door hem geambieerde functie van Senior [C]. De Raad kan zich vinden in wat de rechtbank in dit verband heeft overwogen. Naar aanleiding van wat in hoger beroep is aangevoerd voegt de Raad daaraan nog het volgende toe.

4.6.2.

In de door appellant ter onderbouwing van zijn beroep op de Notitie beschreven werkzaamheden - appellant voert naar eigen zeggen internetonderzoek uit, verwerkt de resultaten daarvan in mutaties en verwerkt een deel van die mutaties in processen-verbaal die in het onderzoeksdossier komen en als bewijs dienen - is met name geen sprake van het zelfstandig (werkterreingerelateerd) uitvoeren van tactisch opsporingsonderzoek als bedoeld onder 4.5. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4244) richt het vakgebied [C] zich (uitsluitend) op criminaliteitsbestrijding door misdrijven te onderzoeken. De kern van alle tot dit vakgebied behorende functies wordt gevormd door activiteiten en resultaten op het gebied van de validatie van onderzoeksgegevens, de totstandbrenging van bewijslast, processen-verbaal, geregistreerde gegevens en het aanwenden van dwangmiddelen. Een en ander komt ook duidelijk tot uitdrukking in hetgeen (als uitwerking van de kern van de functie) onder ‘Activiteiten en resultaten’ in de LFNP-beschrijving van de functie van Senior [C] is vermeld. Relevante, onderscheidende, elementen als daar beschreven, zoals ‘Validatie onderzoeksgegevens’, ‘Totstandbrenging bewijslast’, ‘Interpretatie onderzoeksgegevens’, ‘Processen-verbaal’ en ‘Aanwenden dwangmiddelen’ ziet de Raad in de door appellant benadrukte werkzaamheden echter niet, althans onvoldoende terugkomen. De door appellant genoemde werkzaamheden zijn, zoals de korpschef in het bestreden besluit heeft overwogen en zoals ter zitting van de Raad overtuigend is toegelicht, veeleer te herleiden tot de in de LFNP-beschrijving van de functie van Senior [B] vermelde Activiteiten en resultaten ‘Verzamelen gegevens’ en ‘Gegevensbewerking’. Dergelijke werkzaamheden zijn weliswaar aan de [C] ondersteunende werkzaamheden, maar deze werkzaamheden kunnen daarmee nog niet worden gelijkgesteld met werkzaamheden behorende tot het vakgebied [C].

4.7.

Het door appellant gedane beroep op de (toelichting bij de) Regeling aanvraag plaatsing op een andere dan de ambtenaar opgedragen functie (RAAF), Stcrt. 2016, 38696, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals al ligt besloten in de Aanvulling kan niet worden voorbijgezien aan de eis dat altijd de kern van de functie moet zijn vervuld. Daaraan is in het geval van appellant niet voldaan. Ook de RAAF gaat uit van de gedachte dat (voor een geslaagd beroep op deze regeling) in elk geval de kern van de functie in overwegende mate tot uitdrukking moet zijn gekomen in de feitelijke werkzaamheden van een betrokkene. In de toelichting op de RAAF is in dit verband het volgende vermeld:

“Uiteindelijk zal voor een succesvolle aanvraag een ondergrens moeten gelden, namelijk dat de kern van de functie in overwegende mate tot uitdrukking is gekomen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de niveaubepalende elementen de waardering uitgedrukt in het schaalniveau van de betreffende functie bepalen. Een Gespecialiseerd Medewerker C die niet belast is geweest met analyseren, implementeren en adviseren over beleidsinzet en de ontwikkeling daarvan, zal daarom niet met succes een beroep kunnen doen op de functie van Bedrijfsvoeringspecialist B. Is de betrokkene daarentegen wel belast geweest met de totale kern van deze functie, doch ontbreekt het element ‘borgen van beleid’ dan hoeft dit plaatsing niet in de weg te staan. Een en ander zal afhangen van de weging van de in totaliteit verrichte taakbestanddelen.”

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van E. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) E. Stumpel

rh