Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2914

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2019
Datum publicatie
11-09-2019
Zaaknummer
18/4059 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gelet op de beschikbare gegevens vastgesteld kan worden dat appellant de verweten gedragingen heeft begaan en dat deze als wangedrag kunnen worden aangemerkt. Anders dan appellant en met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de opgelegde maatregel van ontslag niet onevenredig is aan de aard en de ernst van het aan appellant verweten wangedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4059 MAW, 18/4113 MAW, 18/4114 MAW

Datum uitspraak: 5 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 juli 2018, 17/3219, 17/3221, 17/3150 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Dit geding dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie, is in verband met wijziging van taken voortgezet ten name van de staatssecretaris. Waar in deze uitspraak wordt gesproken over de staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de minister verstaan.

Namens appellant heeft mr. M.P.K. Ruperti, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ruperti. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E.C.H. Pot, mr. drs. K.A. Schönbeck en D. Talens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2.

Appellant is per 22 maart 2010 aangesteld als militair en ingedeeld bij de

Koninklijke Marechaussee (KMar). Hij is vanaf 2 februari 2012 werkzaam als [functie] bij de bij [onderdeel] als opsporingsambtenaar in de rang van [rang] .

1.3.

Op 16 juni 2015 is van het functioneren van appellant over de periode van 10 april 2014 tot 17 februari 2015 een beoordeling vastgesteld met het totaaloordeel “onvoldoende”. Hieraan ligt ten grondslag dat zijn gedrag en de competenties samenwerken, verantwoordelijkheidsbesef, communicatie en integriteit, onvoldoende waren.

1.4.

Naar aanleiding van een drietal rapporten van de Sectie Interne Onderzoeken (SIO) heeft op 29 oktober 2015 een hoorzitting plaatsgevonden om te beoordelen of tegen appellant een tijdelijke ordemaatregel en/of nadere maatregelen dienden te worden getroffen. Op 30 oktober 2015 is appellant telefonisch schorsing aangezegd. Bij besluit van 28 januari 2016 (schorsingsbesluit) is appellant met ingang van 30 oktober 2015 geschorst met behoud van bezoldiging op grond van artikel 34, tweede lid, onder c, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) in het belang van de dienst.

1.5.

Bij besluit van 4 april 2017 (bestreden besluit 1) heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen de beoordeling van 16 juni 2016 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de staatssecretaris erkend dat er bijzondere omstandigheden waren die zich hebben afgespeeld in de persoonlijke levenssfeer van appellant, maar deze omstandigheden gaven geen aanleiding voor een heroverweging van de inhoud van de beoordeling.

1.6.

Bij besluit van 4 april 2017 (bestreden besluit 2) heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het schorsingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen gronden van bezwaar zijn ingediend.

1.7.

Bij besluit van 7 maart 2016 (ontslagbesluit), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

4 april 2017 (bestreden besluit 3), heeft de staatssecretaris appellant met ingang van 15 maart 2016 ontslag verleend. Primair op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR wegens wangedrag en subsidiair op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder j, van het AMAR wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van de functie.

1.8.

Aan het ontslag wegens wangedrag zijn de volgende gedragingen ten grondslag gelegd:

  1. Het uiten van dreigende taal jegens zijn leidinggevende, hetgeen uit veiligheidsoverwegingen heeft geleid tot het tweemaal innemen van zijn vuurwapen;

  2. Het op onacceptabele wijze verliezen van zijn zelfbeheersing ten overstaan van collega’s en passagiers;

  3. Het liegen tijdens gesprekken en/of conflicten met leidinggevenden;

  4. Het verrichten van nevenwerkzaamheden terwijl duidelijk met hem is afgesproken dat hij deze werkzaamheden zou staken in verband met belangenverstrengelingen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluiten 1 en 3 ongegrond verklaard. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.

2.1.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de beoordeling op voldoende gronden berust. Daartoe is overwogen dat de staatssecretaris met concrete voorbeelden de specifieke punten waarop appellant onvoldoende heeft gescoord heeft onderbouwd. De persoonlijke omstandigheden van appellant staan het opmaken van een beoordeling niet in de weg.

2.2.

Volgens de rechtbank is de staatssecretaris bevoegd om het ontslag wegens wangedrag op te leggen. Daartoe is overwogen dat niet in geschil is dat het vuurwapen van appellant tweemaal in beslag is genomen nadat hij zich dreigend heeft uitgelaten jegens zijn leidinggevende. De rechtbank overweegt dat de verklaring van 25 november 2015 voldoende aanleiding geeft om te kunnen vaststellen dat appellant verweten gedraging 2 heeft begaan, appellant heeft deze gedraging niet gemotiveerd betwist. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweten gedraging 3 is gebaseerd op een misverstand. Daarnaast is vastgesteld dat appellant nevenwerkzaamheden verrichtte, terwijl de afspraak was dat hij dat niet zou doen. Daarmee heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant de aan hem verweten gedragingen heeft begaan en dat deze, ondanks zijn persoonlijke omstandigheden, kunnen worden toegerekend. De verweten gedragingen kunnen tezamen, gelet op de hoge eisen van integriteit die aan de functie van appellant gesteld mogen worden, een ontslag wegens wangedrag rechtvaardigen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hoger beroep zijn de beoordeling en het ontslag nog in geschil. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft appellant zijn hoger beroep voor zover gericht tegen het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 2, ingetrokken.

Beoordeling

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 6 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2314) is de toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of die beoordeling op voldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het bestuursorgaan dit met concrete feiten onderbouwen. Niet doorslaggevend is of elk feit dat het bestuursorgaan ter onderbouwing aanvoert boven elke twijfel is verheven en of sommige feiten niet (geheel) juist zijn vastgesteld of geïnterpreteerd. Bepalend is of de gegeven waardering, gelet op het totale beeld van de in beschouwing genomen gezichtspunten, de terughoudende rechterlijke toetsing kan doorstaan.

4.3.

Belastende omstandigheden waaronder de ambtenaar zijn werk heeft moeten uitvoeren kunnen volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 3 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK7315) hooguit invloed hebben op de aan de beoordeling te verbinden rechtspositionele gevolgen, maar niet leiden tot hogere scores dan op grond van het feitelijk functioneren gerechtvaardigd is.

4.4.

Appellant betoogt, samengevat, dat de beoordeling onvoldoende gemotiveerd is en onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Daarnaast stelt appellant zich op het standpunt dat zijn beoordelaar niet objectief was. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de staatssecretaris met de uitgebreide toelichting op de beoordeling het totale beeld van het functioneren van appellant met voldoende concrete voorbeelden heeft onderbouwd. Naast de negatieve scores heeft appellant positief gescoord op de competentie initiatief en op de kwaliteit van zijn werk, zijn inzet, zijn durf en zijn resultaatgerichtheid. De manier waarop de beoordeling tot stand is gekomen en het gegeven dat ook aandacht is besteed aan positieve aspecten, maken een niet objectieve opstelling van degenen die bij het opmaken van de beoordeling betrokken waren, niet aannemelijk. Verder heeft de staatssecretaris onderkend dat de omstandigheden, die zich hebben afgespeeld in de persoonlijke levenssfeer van appellant, van invloed zijn geweest op zijn gemoedstoestand en functioneren. Deze omstandigheden kunnen echter niet leiden tot hogere scores dan op grond van het feitelijk functioneren van appellant gerechtvaardigd is. De beoordeling kan de terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan. Dit betekent dat het hoger beroep ten aanzien van de beoordeling niet slaagt.
Ontslag

4.5.

Ingevolge artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR kan aan de militair ontslag worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.

4.6.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van
15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. Deze maatstaf is evenzeer aangewezen voor ontslag wegens wangedrag (uitspraak van 29 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM6967).

4.7.

Bij de vraag of plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 20 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3895) van belang of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Het ligt op de weg van de ambtenaar aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend.

4.8.

Wat appellant in hoger beroep ten aanzien van het begaan van de verweten gedragingen heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gelet op de beschikbare gegevens vastgesteld kan worden dat appellant de verweten gedragingen heeft begaan en dat deze als wangedrag kunnen worden aangemerkt. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank hierover en maakt deze tot de zijne. Hij voegt daar nog het volgende aan toe. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant verschillende keren is aangesproken op zijn gedrag en in de gelegenheid is gesteld zijn gedrag en functioneren te verbeteren. Verder slaagt zijn betoog dat er tijdens die gesprekken onvoldoende hoor en wederhoor is toegepast, niet.

4.9.

Appellant betoogt voorts dat hij de verweten gedragingen niet opzettelijk heeft gepleegd en dat er sprake was van verzachtende omstandigheden. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag niet heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het wangedrag appellant niet kan worden toegerekend. Anders dan appellant en met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de opgelegde maatregel van ontslag niet onevenredig is aan de aard en de ernst van het aan appellant verweten wangedrag. Zijn persoonlijke omstandigheden en het feit dat hij hiervoor hulp kreeg van een psycholoog maken dit niet anders. Appellant heeft door zijn handelwijze het vertrouwen geschaad dat de staatssecretaris in hem als integere en betrouwbare militair en algemeen opsporingsambtenaar moet kunnen stellen.

4.10.

Nu de primaire ontslaggrond het ontslag kan dragen, komt de Raad niet toe aan de subsidiaire ontslaggrond.

4.11.

Uit vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en

J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) F. Demiroǧlu

rh