Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2913

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2019
Datum publicatie
11-09-2019
Zaaknummer
19/1040 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om de eerdere afwijzingen te herzien. Geen nieuwe feiten of gegevens die verweerder bij de besluitvorming over de eerdere aanvraag niet bekend waren en waarin verweerder aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1040 WUV

Datum uitspraak: 5 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Lesquillier, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 31 januari 2019, kenmerk BZ011238955 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lesquillier. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1935, heeft in 2000 verzocht om toekenningen op grond van de Wuv. Die aanvraag is afgewezen bij besluit van 19 juni 2001. Vastgesteld is dat appellant geen vervolging in de zin heeft ondergaan. Verder is er onvoldoende aanleiding gezien om te onderzoeken of appellant in verband met het overlijden van zijn vader met de vervolgde kan worden gelijkgesteld. Tegen het besluit van 19 juni 2001 zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Na afwijzing van het verzoek van 2003, heeft appellant in 2004 opnieuw verzocht de eerdere afwijzing te herzien. Dat verzoek is afgewezen bij besluit van 18 februari 2005 op de grond dat bij appellant geen sprake is van ziekten en/of gebreken die redelijkerwijs in verband kunnen worden gebracht met het overlijden van zijn vader. Hieraan ligt ten grondslag een advies van de arts R.J. Roelofs van 22 december 2004. Op grond van het bij appellant verrichte onderzoek concludeerde Roelofs dat bij appellant sinds ongeveer tien jaar sprake is van een PTSS-beeld dat is veroorzaakt door de eigen (traumatische) ervaringen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode. De angsten zijn te verklaren uit de doodsangsten waarin appellant heeft verkeerd in de Bersiap-periode; de herbelevingen grijpen terug op de traumatische gebeurtenissen en de slechte leefomstandigheden tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode. Het tegen het besluit van 18 februari 2005 gemaakte bezwaar is wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen is geen beroep ingesteld.

1.3.

In 2014 heeft appellant nogmaals verzocht de eerdere afwijzing van zijn aanvraag te herzien. Dat verzoek is afgewezen bij besluit van 17 juli 2014 en na bezwaar gehandhaafd

bij besluit van 5 november 2014 op de grond dat niet is gebleken van (nieuwe) medische gegevens die tot een andere beslissing zouden moeten leiden. Het tegen het besluit van

5 november 2014 ingediende beroep is door de Raad ongegrond verklaard bij uitspraak van 28 januari 2016, nummer 14/6838 WUV. Daartoe is overwogen dat uit de door appellant overgelegde informatie van zijn psycholoog en zijn huisarts weliswaar nog steeds blijkt van aan de oorlog te relateren psychische klachten, maar ook dat genoemde behandelaars de klachten eerst en vooral in verband brengen met de eigen oorlogservaringen en niet of nauwelijks met het overlijden van zijn vader.

1.4.

In 2017 heeft appellant opnieuw verzocht de eerdere afwijzingen te herzien waarbij hij heeft gesteld dat zijn klachten zijn verergerd. Verweerder heeft hierop afwijzend beslist bij besluit van 28 maart 2017, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van

10 augustus 2017, op gronden ontleend aan artikel 61, tweede lid van de Wuv. Verweerder heeft het standpunt gehandhaafd dat gelijkstelling met de vervolgde niet mogelijk is omdat (ook nu) niet is gebleken dat bij appellant sprake is van psychopathologie die redelijkerwijs samenhangt met het omkomen van zijn vader. Het tegen het besluit van 10 augustus 2017 ingediende beroep is ongegrond verklaard bij uitspraak van 31 mei 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1745). In die uitspraak is overwogen dat de arts G.J. Laatsch, die appellant op verzoek van zijn gemachtigde heeft onderzocht, in zijn rapport de conclusie onderschrijft van de geneeskundig adviseurs van verweerder dat de PTSS voortkomt uit de eigen oorlogservaringen van appellant. Laatsch vermeldt wel dat bij appellant sprake is van een depressieve stoornis die redelijkerwijs het gevolg is van het omkomen van de vader, maar de Raad ziet hierin geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder heeft ingenomen. Van betekenis hierbij is de nadere reactie van de geneeskundig adviseur Roelofs die stelt dat het medisch niet juist is de depressieve stoornis te zien als een op zich staande stoornis met een andere oorzaak. De depressieve stoornis wordt weliswaar ingekleurd door het gemis van de vader, door het versterkt bezig zijn met zijn vader, maar de stoornis moet worden opgevat als een uitvloeisel/onderdeel van het oorspronkelijke

(niet-causale) psychische beeld. De aangebrachte splitsing in de gediagnosticeerde psychopathologie is bij appellant niet medisch te onderbouwen, aldus Roelofs. De Raad concludeerde dat verweerder op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat ook nu niet was gebleken dat appellant psychische klachten heeft die redelijkerwijs samenhangen met het omkomen van zijn vader.

1.5.

In juli 2018 heeft appellant nogmaals verzocht de eerdere afwijzingen te herzien. Appellant heeft daarbij gesteld dat zijn psychische klachten zijn verergerd. Verweerder heeft dat verzoek afgewezen bij besluit van 3 augustus 2018. Het bezwaar, waarbij door appellant een rapport is overgelegd van de psychiater H.E. Sanders van 8 december 2018, is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard op gronden ontleend aan artikel 61, tweede lid, van de Wuv. Verweerder heeft in navolging van het advies van de geneeskundig adviseur

A.M. Ohlenschlager geconcludeerd dat (ook nu) bij appellant geen sprake is van ziekten of gebreken die redelijkerwijs verband houden met het overlijden van zijn vader.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

Het verzoek van appellant van juli 2018 betreft een herzieningsverzoek ten aanzien van de (herhaalde) weigering om appellant met de vervolgde gelijk te stellen op grond van ziekten of gebreken die redelijkerwijs verband houden met het overlijden van zijn vader.

2.2.

Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wuv is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid, kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of appellant bij zijn verzoek om herziening dan wel in bezwaar nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die verweerder bij de besluitvorming over de eerdere aanvraag niet bekend waren en waarin verweerder aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

2.3.

Van dergelijke gegevens is de Raad ook nu niet gebleken. Voor het redelijkerwijs aan te nemen verband met het omkomen van de vader in de zin van de Wuv moet het gaan om de directe gevolgen die het overlijden van de vader voor de psychische en lichamelijke gesteldheid van appellant heeft gehad. In het verleden is al vastgesteld dat bij appellant sprake is van een PTSS. Zoals in het advies van Ohlenschlager terecht is vastgesteld, noemt Sanders meerdere niet onder de Wuv vallende omstandigheden als verklaring voor de psychische klachten. Zo concludeert Sanders dat het missen van vader in de oorlog en de gevolgen daarvan op de levensomstandigheden, de gebeurtenissen in de oorlog en de afwijzing door moeder, naast het gemis van vader na de oorlog hebben geleid tot de psychische klachten. Sanders lijkt in de verdwijning van de vader van appellant en de gebeurtenissen als gevolg van die verdwijning het beginpunt van de ontwikkeling van de psychopathologie te zien. Ook door de adviserend geneeskundigen van verweerder is onderkend dat appellant zijn vader heeft gemist en dat nog steeds doet. Voor de hier aan de orde gelijkstelling moet echter sprake zijn van een direct causaal verband tussen het omkomen van vader en de psychische klachten van appellant. Dat de PTSS van appellant als gevolg van de eigen oorlogsomstandigheden later gekleurd werd door het omkomen van vader maakt niet dat de psychische klachten daardoor zijn ontstaan. Dit wordt ook niet gesteld in het rapport van psychiater Sanders, in beroep aangevuld bij schrijven van 21 maart 2019.

2.4.

Het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan kan de terughoudende toets van de Raad doorstaan. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2019.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

De griffier is verhinderd om te ondertekenen

rh