Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2912

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2019
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
16/5121 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassing woonlandbeginsel. In het onderhavige geval is, zoals de Svb ter zitting nader uiteen heeft gezet, geen sprake van een situatie die wordt bestreken door de beleidsregel inzake terugwerkende kracht bij een fout van de Svb. De kinderbijslag is immers vastgesteld naar de toenmalige stand van de wetgeving en de beleidsregels. De Svb heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het onderhavige geval moet worden beoordeeld aan de hand van de beleidsregel betreffende de situatie waarin, na een rechterlijke uitspraak, op een andere wijze uitvoering moet worden gegeven aan de wet- en regelgeving. In zo’n geval wordt de gewijzigde uitvoering in beginsel, en ook in deze situatie, toegepast vanaf de datum van de uitspraak in kwestie. Dit beleid is bij de Raad reeds eerder niet op bedenkingen gestuit, nu er geen rechtsregel of -norm valt aan te wijzen die de Svb verplicht om, naar aanleiding van rechtspraak, ambtshalve een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden, besluit te herzien met volledig terugwerkende kracht. Het beleid is in dit geding terecht en juist toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/302
RSV 2020/41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5121 AKW

Datum uitspraak: 5 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 juli 2016, 15/3803 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De Svb heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. S. el Mhassani, advocaat, een verweerschrift ingediend.

De Svb heeft, met brieven van 26 juni 2018 en 28 september 2018, vragen van de Raad beantwoord. Met een brief van 17 januari 2019 heeft de Svb, desgevraagd, een besluit van 19 oktober 2012 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2019. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. W. van den Berg. Namens betrokkene is mr. El Mhassani verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Aan betrokkene is bij besluit van 19 oktober 2012 met ingang van 1 juli 2012 kinderbijslag toegekend op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor zijn zoon [naam zoon] , geboren [in] 2012, die in Marokko woont. De hoogte van de kinderbijslag werd daarbij vastgesteld met toepassing van het zogeheten woonlandbeginsel. Tegen het besluit van 19 oktober 2012 heeft betrokkene geen rechtsmiddelen aangewend. In een besluit van 17 maart 2015 heeft de Svb betrokkene laten weten dat hij, wegens een uitspraak van de Raad van 12 december 2014, vanaf het vierde kwartaal van 2014 recht heeft op kinderbijslag zonder toepassing van het woonlandbeginsel. In bezwaar geeft betrokkene aan van mening te zijn recht te hebben op het volledige bedrag aan kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2012. In een beslissing van 4 juni 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep in de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, de Svb opgedragen een nieuw besluit te nemen en bepalingen gegeven over het griffierecht en de proceskosten. In essentie heeft de rechtbank overwogen dat het besluit tot toekenning van kinderbijslag, waarvan de hoogte was aangepast aan het kostenniveau in het woonland van het kind, onjuist was als gevolg van een fout van de Svb, te weten het niet buiten toepassing laten van het woonlandbeginsel wegens strijdigheid met artikel 5 van het Algemeen Verdrag inzake Sociale Zekerheid tussen Nederland en Marokko van 14 februari 1972. Gezien de Beleidsregels van de Svb, in casu SB1076, had de Svb met volledig terugwerkende kracht de uitkering dienen te herzien, volgens de rechtbank.

3.1.

In de brieven van 26 juni 2018 en 28 september 2018 heeft de Svb de Raad laten weten dat er nadere afspraken zijn gemaakt tussen het Koninkrijk Marokko en Nederland met betrekking tot de toepassing van het woonlandbeginsel. Als uitvloeisel hiervan hebben kinderbijslaggerechtigden die onder het overgangsrecht bij de Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid vielen, te weten diegenen die al vóór het derde kwartaal van 2012 recht hadden op kinderbijslag, een compensatie ontvangen. Deze compensatie bedraagt het verschil tussen het bedrag dat is uitgekeerd met toepassing van het woonlandbeginsel en het bedrag dat zou zijn uitgekeerd zonder deze korting. De compensatie betreft de periode van het eerste kwartaal van 2013 tot en met het derde kwartaal van 2014.

3.2.

Aan betrokkene is abusievelijk ook deze compensatie toegekend en betaald. De Svb heeft besloten dit bedrag niet van betrokkene terug te vorderen. Verder heeft de Svb aangegeven dat zijn belang in deze zaak is gelegen in de toepassing van de woonlandfactor op de kinderbijslag van betrokkene over het derde en vierde kwartaal van 2012, terwijl betrokkene hiervoor geen compensatie heeft ontvangen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vastgesteld wordt dat uitsluitend in geding is de vraag of betrokkene over het derde en vierde kwartaal van 2012 terecht kinderbijslag is toegekend waarvan de hoogte is vastgesteld met toepassing van het woonlandbeginsel.

4.2.

Van belang daarbij is dat het besluit van 17 oktober 2012, waarin door de Svb aan betrokkene is medegedeeld dat hij kinderbijslag zal ontvangen waarvan de hoogte is aangepast aan het kostenniveau van het woonland van zijn kind, in rechte vaststaat, nu hiertegen geen rechtsmiddelen zijn ingesteld. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 12 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4181, heeft de Svb ambtshalve de hoogte van de kinderbijslag herzien. Daarbij is toepassing gegeven aan de beleidsregels ten aanzien van het terugkomen van rechtens onaantastbare besluiten ten voordele van belanghebbende (SB1076). Aan deze beleidsregels wordt het volgende ontleend:

“Ten aanzien van de vraag met welke terugwerkende kracht zal worden teruggekomen op een eerder besluit hanteert de SVB (..) het volgende beleid.

De onjuistheid van een besluit kan het gevolg zijn van:

•een fout van de SVB;

•overige omstandigheden, zoals een fout van de belanghebbende of een derde.

Voorts kan een besluit op enig moment onjuist worden geacht als gevolg van een wijziging van het beleid van de SVB.

Van een fout van de SVB is sprake als de SVB op basis van de gegevens die ten tijde van de toekenning beschikbaar waren of die bij een normaal onderzoek van de SVB beschikbaar zouden zijn geweest, de uitkering correct had kunnen vaststellen aan de hand van de toen geldende wetgeving en beleidsregels, en de belanghebbende alle relevante informatie tijdig heeft verstrekt. De SVB verhoogt de uitkering in dergelijke gevallen ambtshalve of op verzoek met volledige terugwerkende kracht, echter tot een maximum van vijf jaar. Deze termijn wordt berekend vanaf het moment waarop de SVB haar fout heeft geconstateerd, dan wel de betrokkene een verzoek om herziening heeft ingediend.

Als een rechtens onaantastbaar geworden besluit bij nader inzien voor onjuist wordt gehouden als gevolg van een wijziging in het beleid van de SVB ten gunste van de belanghebbende, gelden de volgende aan de jurisprudentie van de CRvB ontleende regels (zie onder meer CRvB 24 september 1987, CRvB 18 december 1997 en CRvB 21 maart 2001). In beginsel beslist de SVB per categorie van gevallen of reeds vastgestelde uitkeringen moeten worden herzien en zo ja, met welke terugwerkende kracht. Daarbij hanteert de SVB in het algemeen de volgende uitgangspunten. In beginsel moeten personen zelf een verzoek indienen voor herziening op basis van nieuw beleid. Als het nieuwe beleid is gebaseerd op één rechterlijke uitspraak zal de SVB de beleidswijziging in het algemeen laten ingaan op de datum van die uitspraak.(…)”

4.3.

In het onderhavige geval is, zoals de Svb ter zitting nader uiteen heeft gezet, geen sprake van een situatie die wordt bestreken door de beleidsregel inzake terugwerkende kracht bij een fout van de Svb. De kinderbijslag is immers vastgesteld naar de toenmalige stand van de wetgeving en de beleidsregels. De Svb heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het onderhavige geval moet worden beoordeeld aan de hand van de beleidsregel betreffende de situatie waarin, na een rechterlijke uitspraak, op een andere wijze uitvoering moet worden gegeven aan de wet- en regelgeving. In zo’n geval wordt de gewijzigde uitvoering in beginsel, en ook in deze situatie, toegepast vanaf de datum van de uitspraak in kwestie. Dit beleid is bij de Raad reeds eerder niet op bedenkingen gestuit, nu er geen rechtsregel of -norm valt aan te wijzen die de Svb verplicht om, naar aanleiding van rechtspraak, ambtshalve een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden, besluit te herzien met volledig terugwerkende kracht. Het beleid is in dit geding terecht en juist toegepast.

4.4.

Evenmin volgt uit de nadere afspraken tussen Nederland en Marokko, gepubliceerd in Tractatenblad 2016, nr. 122, dat over de kwartalen in geding aan betrokkene kinderbijslag dient te worden toegekend zonder toepassing van het woonlandbeginsel. Deze nadere afspraken hebben betrekking op personen die al vóór 1 juli 2012 recht hadden op, in casu, kinderbijslag. Betrokkene heeft hier recht op vanaf deze datum.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ten onrechte gegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak zal dan ook vernietigd worden en het beroep tegen het bestreden besluit zal ongegrond verklaard worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2019.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) H. Achtot

NW