Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2910

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2019
Datum publicatie
09-09-2019
Zaaknummer
18/3388 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat de stukken die zij ter onderbouwing van haar verzoek om herziening heeft overgelegd, feiten en omstandigheden betreffen als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3388 AW

Datum uitspraak: 5 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 23 januari 2014, 12/1736 AW en 12/1087 AW

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. dr. C. Raat gevraagd om herziening van bovenvermelde uitspraak van de Raad.

Namens het college heeft mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2019. Verzoekster is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Cruijningen en R. Ruijter.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoekster was sinds 1 september 2001 werkzaam als [functie 1] bij [afdeling] ( [afdeling] ) van de gemeente [gemeente] . Verzoekster heeft in februari 2009 haar werkzaamheden gestaakt omdat zij niet langer rechtstreeks voor haar leidinggevende wilde werken omdat zij samenwerkingsproblemen ondervond met hem. Haar leidinggevende herkende die problemen niet.

1.2.

Bij brief van 17 april 2009 heeft verzoekster bij het college melding gedaan van het vermoeden van een misstand (klokkenluidersmelding). Op 9 november 2010 heeft de Commissie klokkenluiders gemeentelijke overheid advies uitgebracht over de melding van verzoekster. Het college heeft de melding ongegrond verklaard bij brief van 2 februari 2011.

1.3.

Naar aanleiding van het door verzoekster staken van haar werkzaamheden heeft het college verzoekster opgedragen om voorlopig met ingang van 21 april 2009 werkzaamheden te verrichten bij het team [team 1] ( [team 1] ) bij de sector [sector] . Begin 2010 heeft verzoekster de wens geuit om de werkzaamheden in haar vroegere functie van [functie 1] te mogen hervatten. Bij besluit van 4 juni 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van
25 november 2010, heeft het college afwijzend op dit verzoek beslist op de grond dat terugkeer van verzoekster naar de [afdeling] op dat moment een te groot afbreukrisico voor haar zou meebrengen. De tijdelijke tewerkstelling is verlengd.

1.4.

Bij besluit van 3 maart 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 juni 2011, heeft het college verzoekster gelast om met ingang van 1 april 2011 tijdelijk, gedurende een jaar, de functie van [functie 2] bij het team [team 2] van de [afdeling] te vervullen met de mogelijkheid tot definitieve plaatsing.

1.5.

De rechtbank Maastricht heeft de beroepen tegen de besluiten van 25 november 2010 en 20 juni 2011 bij uitspraken van 13 januari 2012, nummers 11/4 en 11/1282, respectievelijk ECLI:NL:RBMAA:2012:53 en ECLI:NL:RBMAA:2012:55, ongegrond verklaard.

1.6.

Bij uitspraak van 23 januari 2014, 12/1736 AW en 12/1087 AW, ECLI:NL:CRVB:2014:165, heeft de Raad die uitspraken van de rechtbank Maastricht van
13 januari 2012 bevestigd. De Raad heeft bij zijn beoordeling over het besluit van
25 november 2010 tot uitgangspunt genomen dat het college rekening heeft mogen houden met de resultaten van het assessment van verzoekster en belang heeft kunnen hechten aan een uiteenzetting van het hoofd van de [afdeling] over het afbreukrisico dat was verbonden aan een eventuele vroegtijdige terugplaatsing van verzoekster in de functie van [functie 1] . Aanwijzingen ontbreken naar het oordeel van de Raad voor de stelling van verzoekster dat de besluitvorming is beïnvloed doordat zij zich opwierp als klokkenluider. Over het besluit van 20 juni 2011 heeft de Raad overwogen het aannemelijk te achten dat de functie van [functie 2] waarin zij is geplaatst passend is. Bij de plaatsing is rekening gehouden met door verzoekster ingebrachte bedenking door haar niet blijvend maar tijdelijk in de functie te plaatsen, dit met het oog op mogelijke terugplaatsing in haar oude functie van [functie 1] .

1.7.

Bij brief van 10 april 2012 heeft verzoekster bij het college hernieuwd melding gedaan van het vermoeden van een misstand. Op 22 mei 2012 heeft verzoekster bij afzonderlijke brieven het college verzocht om haar op grond van artikel 17 van de [Regeling] (Regeling) te ondersteunen en om haar rechtsbijstand te verlenen in verband met haar meldingen van vermoedens van misstanden. Bij besluit van 20 september 2012 heeft het college afwijzend beslist op het verzoek ten aanzien van de melding van 17 april 2009. Met dit besluit heeft het college bedoeld om tevens afwijzend te beslissen op het vergelijkbare verzoek over de melding van 10 april 2012. Bij besluit van 10 januari 2013 heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 20 september 2012 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de rechtbank Limburg van 24 maart 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:2366, heeft de rechtbank het beroep van verzoekster tegen het besluit van 10 januari 2013 ongegrond verklaard. De Raad heeft die uitspraak bevestigd voor zover aangevochten, bij uitspraak van 4 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:29.

1.8.

Bij besluit van 20 december 2012 heeft het college verzoekster per 1 januari 2013 eervol ontslag verleend met toepassing van artikel 8:8 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Maastricht (AGM). Daaraan is als passende regeling een garantie op een werkloosheidsuitkering conform de Werkloosheidswet, aangevuld met een aanvullende en na-wettelijke uitkering als bedoeld in hoofdstuk 10d van de AGM toegekend. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 maart 2013. Bij de uitspraak van 24 maart 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:2364 heeft de rechtbank het beroep van verzoekster tegen het besluit van 12 maart 2013 ongegrond verklaard. De Raad heeft die uitspraak bevestigd bij uitspraak van 4 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:30.

2. Verzoekster heeft op hierna te bespreken gronden om herziening verzocht van de uitspraak van de Raad van 23 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:165.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.2.

Het bijzondere rechtsmiddel van herziening is niet gegeven om - eventueel op basis van andere argumenten - een hernieuwde discussie over de zaak te voeren, noch om een discussie over de betrokken uitspraak te openen, maar strekt er in beginsel toe om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te redresseren. Slechts aangelegenheden van feitelijke aard kunnen tot herziening leiden (uitspraak van
26 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2180).

3.3.

De gegevens met betrekking tot de collegenota van 19 augustus 2010 en bijbehorende begeleidende nota van 17 augustus 2010, opgesteld door personeelsfunctionaris R, die verzoekster als nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb aan haar verzoek om herziening ten grondslag heeft gelegd, zijn op 12 juni 2018 aan verzoekster bekend geworden. Verzoekster is niet eerder op de hoogte gesteld van het bestaan van die nota en kon dat redelijkerwijs ook niet zijn. Dat betekent dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Awb.

3.4.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of deze gegevens, waren die eerder bij de Raad bekend geweest, tot een andere uitspraak zou hebben kunnen leiden, dat wil zeggen of voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder c van de Awb.

3.5.

Verzoekster heeft (samengevat) aangevoerd dat uit de nota’s blijkt dat een beeld naar voren is gebracht dat feitelijk onjuist en gekleurd is en dat de afhandeling aan ambtenaren is overgelaten die rancuneus waren en het recht in eigen hand genomen hebben. Uit die stukken blijkt volgens verzoekster dat wel aannemelijk is dat sprake was van overtreding van het benadelingsverbod van een melder van een misstand. Voorts heeft verzoekster gesteld dat sprake is van een datalek bij de gemeente [gemeente] . Daarbij heeft zij gemeld dat het college nog geen volledige openheid van zaken geeft en dat in dat verband nog zaken aanhangig zijn bij de rechtbank Limburg (in het kader van het beroep op de Algemene Verordening Gegevensbeheer, AVG) en bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State
(in het kader van de Wet bescherming persoonsgegevens, Wbp).

3.6.

Het college heeft toegelicht dat de nota’s van 17 en 19 augustus 2010 er toe dienden om het college over de meest recente feitelijke ontwikkelingen te informeren. De Raad stelt vast dat in die nota geen feiten staan vermeld die niet al eerder bekend waren aan verzoekster. Wel is voor verzoekster nieuw dat het college door die nota’s in kennis is gesteld van die feiten en het college dus kennis heeft genomen van het feit dat verzoekster gebruik heeft gemaakt van de klokkenluiderregeling en dat zij bij de rechtbank een voorlopige voorziening heeft gevraagd tegen het besluit om haar tijdelijk andere werkzaamheden te laten verrichten. Door de nota is het college dus geïnformeerd over enkele zaken die verzoekster betreffen. De informatie uit die nota, noch de omstandigheid dat het college over beide onderwerpen in de zelfde nota is geïnformeerd kan echter leiden tot een ander oordeel dan in de uitspraak van
23 januari 2014 is neergelegd. Van belang daarbij is het duidelijk informatieve karakter van de nota’s en dat de onderwerpen gescheiden, in afzonderlijke alinea’s met verwijzing naar de betreffende wet- en regelgeving aan de orde zijn gesteld. Niet blijkt uit deze nota’s dat sprake is van een causaal verband tussen de besluiten om verzoekster niet terug te plaatsen in haar eigen functie en om haar te plaatsen op andere functies dan haar eigen functie enerzijds, en de melding door verzoekster van de misstanden anderzijds.

3.7.

Wat verzoekster verder heeft aangevoerd met betrekking tot de bij de rechtbank en bij de Afdeling bestuursrechtspraak aanhangige procedures inzake de AVG en de Wbp, geeft de Raad geen aanleiding voor het aanhouden van de behandeling van het thans voorliggende verzoek tot herziening. In het geval dat verzoekster in de toekomst de beschikking mocht krijgen over feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, kan zij wederom een verzoek tot herziening doen.

3.8.

Gelet op wat onder 3.1 tot en met 3.7 is overwogen, heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat de stukken die zij ter onderbouwing van haar verzoek om herziening heeft overgelegd, feiten en omstandigheden betreffen als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

4. De conclusie is dat het verzoek om herziening van de uitspraak van 23 januari 2014 moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2019.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) Y. Itkal

md