Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2909

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
05-09-2019
Zaaknummer
18/2800 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft de aanvraag van appellante om een maatwerkvoorziening, bestaande uit speciale gordijnen, speciale verf voor het plafond van de slaapkamer en een aardpin, om haar woning af te schermen tegen elektromagnetische velden afkomstig van een zendmast op de kerktoren nabij haar woning, terecht afgewezen. Geen objectiveerbare beperkingen. Zorgvuldig onderzoek. Geen medische noodzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2800 WMO15

Datum uitspraak: 4 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 april 2018, 17/1219 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N.J.C. van Dorsselaer-Spapen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dorsselaer-Spapen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1969, heeft zich op 15 juni 2016 bij het college gemeld met het verzoek om hulp bij het afschermen van haar woning tegen elektromagnetische velden (EMV) afkomstig van een zendmast op de kerktoren nabij haar woning. Naar aanleiding van deze melding heeft op 14 juli 2016 een gesprek plaatsgevonden en heeft appellante op grond van de Wet maatschappelijk ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een maatwerkvoorziening aangevraagd, bestaande uit speciale gordijnen, speciale verf voor het plafond van de slaapkamer en een aardpin.

1.2.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college Argonaut Advies B.V. (Argonaut) verzocht te adviseren. Bij medisch advies van 27 september 2016 heeft de arts van Argonaut geconcludeerd dat voor appellante geen noodzaak kan worden vastgesteld voor de gevraagde voorzieningen.

1.3.

Bij besluit van 3 oktober 2016 heeft het college de aanvraag van appellante om een maatwerkvoorziening afgewezen. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.4.

Naar aanleiding van een in bezwaar overgelegd stuk van tandarts C.E.M. van Dijk van 4 december 2016 heeft het college Argonaut verzocht nader te adviseren. Bij aanvullend medisch advies van 10 januari 2017 heeft de arts van Argonaut geconcludeerd dat de overgelegde informatie geen aanleiding geeft om het eerdere advies te wijzigen.

1.5.

Bij besluit van 14 februari 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 oktober 2016 ongegrond verklaard. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het onderzoek door Argonaut op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat het college geen redenen heeft om te twijfelen aan de juistheid van de medische adviezen. De aanvraag voor een maatwerkvoorziening ten behoeve van aanpassingen in de woning is terecht afgewezen, nu de beperkingen en belemmeringen die appellante ervaart niet geobjectiveerd kunnen worden. Er is geen reden voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe, kort samengevat, het volgende overwogen. Gelet op de verbreding van de doelgroep van de Wmo 2015 is in beginsel niet van belang of lichamelijke klachten al dan niet medisch geobjectiveerd kunnen worden. Dit laat echter onverlet dat de beperkingen die appellante in het dagelijks leven ervaart wel geobjectiveerd dienen te worden. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante de beperkingen die zij in haar dagelijks functioneren ondervindt niet (medisch) heeft geobjectiveerd. De rechtbank ziet in wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de adviezen onzorgvuldig tot stand zijn gekomen, dan wel dat de adviezen niet inzichtelijk of ondeugdelijk zijn gemotiveerd. De door appellante overgelegde verklaringen van arts Adriaansens en tandarts Van Dijk zijn onvoldoende concreet. Verder zijn de verklaring van prof. Belpomme, het protocol Electrosmog en de verwijzing naar het Arbeidsomstandighedenbesluit onvoldoende om de beperkingen te objectiveren. Deze stukken zien immers niet op de persoonlijke situatie van appellante.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Kort samengevat voert zij aan dat het college ten onrechte haar aanvraag heeft afgewezen. Appellante stelt dat zij haar beperkingen voldoende heeft onderbouwd met haar persoonlijke relaas en met verklaringen van diverse artsen. Inmiddels is zij verhuisd naar [gemeente 1] , maar zij wil bereiken dat het college alsnog de aangevraagde aanpassingen in de woning te [gemeente 2] vergoedt. Hiervan heeft appellante enkel de speciale gordijnen van € 417,62 daadwerkelijk aangeschaft.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college het bestreden besluit op de adviezen van Argonaut heeft kunnen baseren. Deze adviezen zijn op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. De medisch adviseur van Argonaut heeft alle aanwezige medische informatie van appellante in zijn beoordeling betrokken en duidelijk toegelicht waarom appellante geen objectiveerbare beperkingen heeft en er geen noodzaak is voor de gevraagde voorzieningen.

4.2.

Appellante heeft ook in hoger beroep geen medische informatie overgelegd waarmee is onderbouwd dat de medisch adviseur van Argonaut de situatie in de periode hier in geding onjuist heeft ingeschat. Uit de overgelegde stukken volgt dat appellante haar klachten toeschrijft aan EMV, maar dat er tot op heden geen betrouwbare test is die dit vermoeden met zekerheid kan bevestigen. Ook arts J.P. Mossink, waarnaar appellante door arts J.Th. Holwerda bij brief van 1 februari 2018 is verwezen, schrijft op 10 februari 2018 enkel dat het zeer aannemelijk is dat haar klachten gerelateerd zijn aan blootstelling aan EMV. Ook het overgelegde stuk van het Uwv van 14 februari 2018 geeft geen aanknopingspunten voor een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. Dit betreft immers een medisch advies van een verzekeringsarts bezwaar en beroep in het kader van een procedure op grond van de Ziektewet. Appellante heeft ten slotte ter zitting verklaard dat zij weliswaar onlangs ook zelf een consult heeft gehad bij prof. Belpomme in Parijs, maar dat de resultaten van dit onderzoek vooralsnog ontbreken.

4.3.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en J.P.A. Boersma en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2019.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) J.R. Trox

ew