Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:290

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
05-02-2019
Zaaknummer
17-738 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten terecht afgewezen. Gelet op de aanwezige medische informatie heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning. Voorts staat vast dat het college niet schriftelijk toestemming voor het verhuizen naar de nieuwe woning heeft verleend. Dit betekent dat het college de aanvraag op grond van artikel 3.6, vierde lid, aanhef en onder e, van de Verordening terecht heeft afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 738 WMO15

Datum uitspraak: 30 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

19 december 2016, 16/5607 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J.W.F. Deen, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Deen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.A. Bogaards.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is onder andere bekend met een aandoening van de rugwervelkolom en longklachten. Op 22 januari 2016 is hij verhuisd van een woning aan [adres 1] naar een woning aan [adres 2] .

1.2.

Appellant heeft op 27 januari 2016 bij het college een aanvraag voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) ingediend.

1.3.

Bij besluit van 22 februari 2016 heeft het college de aanvraag afgewezen.

1.4.

Bij besluit van 23 juni 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 februari 2016 ongegrond verklaard. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat niet aantoonbaar vaststaat dat appellant vanwege het vochtprobleem in zijn oude woning beperkt was in het normale gebruik van die woning en daarnaast dat appellant onvoldoende heeft ondernomen om de gebreken in de woning door achterstallig onderhoud door de verhuurder te laten wegnemen. Voorts heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellant is verhuisd naar een woning met een trap terwijl uit medische stukken blijkt dat hij vanwege zijn rugklachten moeite met traplopen heeft.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe, kort samengevat, het volgende overwogen. Appellant heeft de ernst van de ondervonden klachten in relatie tot het stof- en vochtprobleem in de woning niet onderbouwd, zodat de noodzaak voor de gevraagde voorziening niet vast is komen te staan. Voor zover de door appellant ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud, dan wel het gevolg zijn van de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan wettelijke vereisten, geldt het in de Wmo 2015 neergelegde uitgangspunt van de eigen verantwoordelijkheid. Van appellant had mogen worden verwacht dat hij niet had volstaan met het enkel mondeling melden van het probleem, maar dat hij de verhuurder ook had aangeschreven en actie had ondernomen om hem daadwerkelijk tot herstelwerkzaamheden aan te zetten. Nu appellant dit niet heeft gedaan, is de noodzaak tot het verstrekken van de gevraagde voorziening op grond hiervan evenmin komen vast te staan.

3. In hoger beroep heeft appellant, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Omdat het college geen onderzoek heeft verricht naar de oorzaak van de vochtproblemen in de oude woning, kan er niet van worden uitgegaan dat de gevraagde voorziening niet noodzakelijk was. Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat appellant onvoldoende eigen verantwoordelijkheid heeft betoond. Hoewel de nieuwe woning een trap heeft en hij beperkingen voor traplopen heeft, was deze woning voor hem meer geschikt dan zijn oude vochtige woning.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft ter zitting van de Raad aangevoerd dat hij naast de verhuis- en inrichtingskosten ook een vergoeding van de kosten van aanschaf van een bankstel en een bed heeft aangevraagd. De Raad volgt appellant hierin niet, nu dit uit het ingevulde aanvraagformulier niet blijkt.

4.2.

Ter zitting van de Raad heeft het college zijn standpunt dat niet aantoonbaar vaststaat dat appellant beperkt was in het normale gebruik van zijn woning en dat appellant onvoldoende heeft ondernomen om de gebreken in de woning door de verhuurder te laten wegnemen, verlaten. Dat betekent dat enkel nog het standpunt van het college dat appellant niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten omdat hij is verhuisd naar een woning met een trap, terwijl uit de medische stukken blijkt dat hij vanwege zijn rugklachten moeite heeft met traplopen, ter beoordeling voorligt.

4.3.

Artikel 3.6, vierde lid, aanhef en onder e, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Den Haag 2015 (Verordening) bepaalt dat geen woonvoorziening wordt verstrekt indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor schriftelijk toestemming is verleend door het college.

4.4.

Vaststaat dat appellant een trap op moet om zijn nieuwe woning te kunnen betreden. Volgens een medisch rapport van GGD Haaglanden van 30 maart 2015 heeft appellant door zijn beperkingen onder andere moeite met traplopen. Volgens een verklaring van de huisarts van appellant van 15 maart 2016 is appellant bekend met recidiverende lage rugklachten en heeft hij gezien de persisterende klachten grote problemen met traplopen. De stelling van appellant ter zitting van de Raad dat hij weliswaar moeite heeft met traplopen, maar dat hij geen problemen ondervindt bij het gebruik van de wat kleinere trap in zijn nieuwe woning, volgt de Raad niet. Deze stelling heeft appellant niet onderbouwd en strookt niet met de wel aanwezige medische informatie. Gelet op de aanwezige medische informatie heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning. Voorts staat vast dat het college niet schriftelijk toestemming voor het verhuizen naar de nieuwe woning heeft verleend. Dit betekent dat het college de aanvraag op grond van artikel 3.6, vierde lid, aanhef en onder e, van de Verordening terecht heeft afgewezen.

4.5.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en L.M. Tobé en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2019.

(getekend) D.S. de Vries

De griffier is verhinderd te ondertekenen

RB