Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2891

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2019
Datum publicatie
09-09-2019
Zaaknummer
17/1821 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op de systematiek van de Participatiewet kan geen bijzondere bijstand worden verleend voor verblijfskosten die voortkomen uit omgangsregeling. Geen bijzondere bijstand voor reiskosten van appellant in verband met omgangsregeling, van meerkosten niet gebleken. Geen afstemming in verband met de verblijfskosten van kind van appellant waarvoor appellant geen ALO-kop ontvangt. Dat de verzorgende ouder die wel ALO-kop ontvangt niet wil bijdragen maakt niet dat er zeer bijzondere situatie voor afstemming bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/299
JWWB 2019/255
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1821 PW, 17/3685 PW

Datum uitspraak: 27 augustus 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van

24 januari 2017, 16/1193 (aangevallen uitspraak 1), en van 6 april 2017, 16/2432 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M.H.E.G. Lemmens, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Namens appellant heeft mr. Lemmens een zienswijze en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2019. Appellant is met bericht niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Ottenheim.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 9 november 2007 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, aanvankelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en sinds 1 januari 2015 op grond van de Participatiewet (PW). Zijn in 2006 geboren zoon X woont bij zijn ex-partner in [gemeente] en verblijft in het kader van een omgangsregeling met enige regelmaat bij appellant. Bij besluit van 12 december 2014 heeft het college, in verband met een wijziging van de omgangsregeling aangaande X (omgangsregeling), met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW met ingang van 7 november 2014 de alleenstaande norm verhoogd. Het college heeft de bijstand over de dagen dat de zoon op basis van de omgangsregeling bij appellant verblijft verhoogd met het verschil tussen de norm voor een alleenstaande en de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Bij besluit van 27 januari 2015 (besluit 1), zoals na bezwaar gewijzigd bij besluit van

30 juni 2016 (bestreden besluit 1) en voor zover hier van belang, heeft het college de hoogte van de bijstand van appellant met ingang van 27 januari 2015 vastgesteld op de norm voor een alleenstaande. De tot 27 januari 2015 toegepaste verhoging is hiermee komen te vervallen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag, zoals het college ter zitting nader heeft toegelicht, dat in het geval van appellant zich geen zeer bijzondere situatie voordoet die noopt tot afstemming van de bijstand. Appellant moet voor de met de omgangsregeling verband houdende kosten zijn ex-partner aanspreken, nu zij aanspraak maakt op een verhoging van het kindgebonden budget in de vorm van een alleenstaande ouder kop (ALO-kop). Appellant en zijn ex-partner moeten in samenspraak komen tot een evenredige verdeling van de ALO-kop.

1.3.

Appellant heeft op 19 maart 2015 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor reis- en verblijfskosten in verband met de omgangsregeling. Bij besluit van 8 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 maart 2016 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan deze besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat de kosten niet voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld in

artikel 35, eerste lid, van de PW. De reis- en verblijfskosten in verband met de omgangsregeling komen ten laste van de ex-partner als verzorgende ouder; deze kosten komen normaliter in het familieverkeer voor en het zijn kosten waarvoor appellant en zijn

ex-partner zelf een oplossing moeten vinden.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In de hoger beroepen heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat X op grond van de omgangsregeling eenmaal in de veertien dagen van vrijdag na school tot en met maandag voorafgaand aan school en eenmaal in de veertien dagen van woensdag na school tot en met donderdag voorafgaand aan school bij appellant verblijft. Tevens staat vast dat de ex-partner van appellant als alleenstaande ouder wordt aangemerkt en uit dien hoofde vanaf 1 januari 2015 de ALO-kop ontvangt. Tot slot is niet in geschil dat appellant recht heeft op bijstand als alleenstaande en dat hij kosten maakt voor de uit de omgangsregeling voortvloeiende gedeelde zorg voor X.

4.2.

Het geschil in de voorliggende zaken komt er op neer dat appellant via de bijstand
reis- en verblijfskosten gecompenseerd wil krijgen. Appellant stelt daartoe van de ene kant dat het college, net zoals het dat voorafgaand aan het besluit van 27 januari 2016 deed, de bijstand moet afstemmen als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de PW. Appellant verzoekt van de andere kant om bijzondere bijstand voor de uit de omgangsregeling voortvloeiende reis- en verblijfskosten.

4.3.

Ter zitting is vastgesteld dat de reiskosten kosten van appellant zelf betreffen. De verblijfskosten betreffen de kosten van verzorging en opvoeding van X (verblijfskosten).

Bijzondere bijstand verblijfskosten

4.4.

In de systematiek van de PW moet een strikt onderscheid worden gemaakt tussen algemene bijstand en bijzondere bijstand. Algemene bijstand is bedoeld om te voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, bijzondere bijstand om te voorzien in andere dan algemene bestaanskosten. Zie in dit verband bijvoorbeeld de uitspraak van 17 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1418. Appellant beoogt compensatie te verkrijgen voor de verblijfskosten. Dit zijn algemene kosten van het bestaan. Dat betekent dat appellant alleen al om die reden geen recht heeft op bijzondere bijstand voor de verblijfskosten. Daarvoor is de algemene bijstand bedoeld.

Bijzondere bijstand reiskosten

4.5.1.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1568), behoren in het kader van een omgangsregeling gemaakte reiskosten van de niet-verzorgende ouder in beginsel tot de periodieke algemene kosten van het bestaan, die uit het inkomen op bijstandsniveau dienen te worden voldaan. De reiskosten van appellant vloeien daarom niet voort uit bijzondere omstandigheden als bedoeld in
artikel 35, eerste lid van de PW.

4.5.2.

Wat onder 4.5.1 wordt overwogen, staat er niet aan in de weg dat bij een objectieve noodzaak voor het maken van noodzakelijke meerkosten bijzondere bijstand voor de reiskosten van de niet-verzorgende ouder niettemin kan zijn aangewezen (zie de uitspraak van 4 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1248). Van meerkosten in dit verband kan sprake zijn als de kosten zo hoog oplopen dat deze de normale, binnen familieverhoudingen gebruikelijke, kosten overstijgen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn reiskosten uit bijzondere omstandigheden voortvloeien en niet uit het inkomen en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Hij heeft zijn reiskosten niet onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens. Het moet er daarom voor worden gehouden dat van meerkosten als hiervoor bedoeld geen sprake is.

Afstemming

4.6.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de PW stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, de mogelijkheden en de middelen van de belanghebbende. Deze bepaling geeft inhoud aan één van de uitgangspunten van de PW, te weten dat de bijstand wordt afgestemd op de feitelijke behoeften in het individuele geval. Volgens vaste rechtspraak is voor een dergelijke afstemming slechts plaats in zeer bijzondere situaties (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3290). Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college gehouden zou zijn tot afstemming over te gaan, is in dit geval geen sprake. De verblijfskosten van X betreffen periodieke algemene kosten van bestaan die ten laste komen van de verzorgende ouder, in dit geval dus de ex-partner van appellant. Dat appellant geen ALO-kop ontvangt, is in zoverre dus niet van belang. Ook de omstandigheid dat de ex-partner niet bereid zou zijn om de verblijfskosten te dragen, kan niet tot bijstandsverlening leiden. Dit is een kwestie die de
ex-partners zelf dienen op te lossen en maakt niet dat sprake is van een zeer bijzondere situatie die tot afstemming noopt. Vergelijk in dit verband de uitspraak van 11 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2494. Anders dan appellant stelt, mag van hem worden verwacht dat hij van zijn ex-partner een bijdrage vraagt in de verblijfskosten van X. Appellant heeft wel gesteld dat bij een dergelijk verzoek de omgangsregeling gevaar loopt, maar heeft dit niet aannemelijk gemaakt. De reiskosten van appellant behoren tot de periodieke algemene kosten van het bestaan, die uit het inkomen op bijstandsniveau dienen te worden voldaan. Van een zeer bijzondere situatie op grond waarvan het college gehouden zou zijn tot afstemming voor deze kosten over te gaan, is daarom geen sprake.

4.7.

De enkele omstandigheid dat het college onder de WWB aanleiding heeft gezien om de bijstand af te stemmen op grond van artikel 18, eerste lid, van de WWB maakt niet dat het college de bijstand van appellant op dezelfde manier moet blijven afstemmen als tot
27 januari 2015 het geval is geweest. Immers, vast is komen te staan dat geen sprake is van bijzonder omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW en ook niet van een zeer bijzondere situatie die moet leiden tot afstemming als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de PW.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken zullen daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en W.F. Claessens en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2019.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) S.H.H. Slaats