Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2890

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2019
Datum publicatie
05-09-2019
Zaaknummer
17/5821 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Geen twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts over de functionele mogelijkheden van appellant zoals beschreven in de FML. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de aan de toetsing ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5821 ZW

Datum uitspraak: 22 augustus 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

12 juli 2017, 16/3962 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 13 februari 2018 heeft mr. Molenaar zich teruggetrokken als gemachtigde.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2019. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als asbestsaneerder voor 38 uur per week. Op

1 mei 2014 heeft hij zich ziek gemeld met lichamelijke klachten. Zijn dienstverband is op

23 april 2015 beëindigd. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Na een eerstejaars ZW-beoordeling is het recht op ziekengeld voortgezet, omdat appellant op dat moment niet ten minste 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen.

1.2.

Een verzekeringsarts heeft appellant naar aanleiding van zijn aanvraag om uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 15 februari 2016 op het spreekuur gezien. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

17 februari 2016. Daarna heeft een arbeidsdeskundige vastgesteld dat appellant, uitgaande van de uitkomsten van de door hem verrichte beoordeling in het kader van een toetsing verbetering belastbaarheid in het tweede ziektejaar (TVB2), per 15 februari 2016 niet in staat is zijn eigen werk te verrichten. Vervolgens heeft hij vier functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 93,46% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van

15 maart 2016 vastgesteld dat appellant met ingang van 16 april 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van

21 juli 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2.1.

In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de eerder opgemaakte FML aangevuld met een beperking voor het aspect horen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens, met inachtneming van de aangepaste FML van 17 oktober 2016, geconcludeerd dat de geselecteerde functies nog steeds geschikt zijn.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant – kort gezegd – herhaald dat nu de artsen van het Uwv de diagnose PTSS categorisch ontkennen er geen sprake is van een afgewogen oordeel over zijn psychische beperkingen. De artsen van het Uwv hebben zijn psychische en lichamelijke klachten onderschat. Appellant acht zich niet in staat de voor hem geselecteerde functies te vervullen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit bij de toetsing wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet WIA, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van

7 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4971).

4.2.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de functionele mogelijkheden van appellant zoals beschreven in de FML van 17 oktober 2016. Bij hun beoordeling hebben de artsen van het Uwv de door appellant naar voren gebrachte psychische klachten en klachten van het bewegingsapparaat betrokken en kennis genomen van de beschikbare informatie van de behandelaars van appellant. De verzekeringsarts heeft op zijn spreekuur uitgebreid aandacht besteed aan de psychische klachten van appellant. De verzekeringsarts heeft aannemelijk geacht dat appellant beperkingen ervaart op het persoonlijk en sociaal vlak en – onder andere – als gevolg van een somatoforme stoornis ook beperkingen heeft op fysiek vlak. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft kennis genomen van de informatie van i-psy van 21 juni 2016, waarin de diagnose PTSS is gesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij eigen oriënterend onderzoek op het spreekuur geen pathologische angst, paniek of somberheid waargenomen en gerapporteerd dat deze klachten ook niet op de voorgrond staan bij eerdere verzekeringsgeneeskundige onderzoeken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarom onvoldoende aanwijzingen dat er op de datum in geding daadwerkelijk sprake is van PTSS. In de aanvullende rapporten van 12 oktober 2016, 24 oktober 2016, 29 maart 2017 en 14 juni 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de in beroep ingebrachte informatie van de behandelaars van appellant en inzichtelijk gemotiveerd waarom, afgezien van een beperking voor horen, geen aanleiding bestaat om verdergaande beperkingen aan te nemen. Er zijn geen aanknopingspunten om deze naar behoren gemotiveerde beschouwingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist te achten. Vaste rechtspraak is dat een diagnose als zodanig niet doorslaggevend is bij de vraag of er sprake is van arbeidsongeschiktheid, maar dat het gaat om de beperkingen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3139). Ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren van appellant zijn in de FML van 17 oktober 2016 diverse beperkingen opgenomen.

4.3.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de toetsing ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

4.4.

De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2019.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) J. Smolders

JvC