Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:287

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
05-02-2019
Zaaknummer
17-1420 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wajong-uitkering ten onrechte geweigerd. Geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Met appellant wordt geoordeeld dat niet valt in te zien waarin de op 27 februari 2018 aanwezige onderliggende complexe meervoudige problematiek verschilt van de situatie op 1 december 2015. Het moet er daarom voor worden gehouden dat appellant al per 1 december 2015 jonggehandicapte was in de zin van hoofdstuk 1A van de Wajong 2015.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/141 met annotatie van E. van den Bogaard
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1420 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van

3 februari 2017, 16/5044 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 16 januari 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.M. Martens hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2018. Voor appellant zijn verschenen zijn ouders, [ouder 1] en [ouder 2] , bijgestaan door

mr. Martens. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren op [geboortedatum] 1995, heeft op 1 december 2015 een aanvraag

beoordeling arbeidsvermogen ondersteuning bij werk en inkomen jonggehandicapten ingediend. Daarbij is vermeld dat appellant met een rechterlijke machtiging is opgenomen in verband met een chronisch psychotisch toestandsbeeld bij verslaving aan verschillende middelen.

1.2.

Bij besluit van 4 maart 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een uitkering op grond van hoofdstuk 1A van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015). Dit besluit is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, waarin is vastgesteld dat appellant geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie tijdelijk en niet duurzaam is.

1.3.

Bij besluit van 12 juli 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 4 maart 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan liggen ten grondslag een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv. In deze rapporten is geconcludeerd dat, ondanks de huidige complexe psychische problematiek, het alleszins mogelijk is dat appellant bij adequate behandeling weer zal kunnen beschikken over arbeidsvermogen. Het arbeidsvermogen van appellant kan nog ontwikkelen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en met vergoeding van proceskosten en griffierecht bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. De rechtbank heeft vastgesteld dat eerst in de beroepsfase bij de beoordeling van de duurzaamheid het stappenplan uit het Compendium Participatiewet is gevolgd. Met de in beroep overgelegde rapporten is de rechtbank er voldoende van overtuigd geraakt dat het onderzoek naar het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toereikend hebben gemotiveerd dat geen sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen, omdat op het moment dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie werden beoordeeld appellant nog jong was, er behandelmogelijkheden waren en er een begeleid wonen project was opgestart. De rechtbank heeft bij haar oordeel informatie van de behandelend sector betrokken.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten. Appellant heeft aangevoerd dat zijn laattijdige aanvraag dient te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010), zoals deze gold op zijn 18e verjaardag. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat hij ook op basis van de criteria van hoofdstuk 1A van de Wajong 2015 als jonggehandicapte moet worden aangemerkt. Het Uwv en de rechtbank hebben zijn klachten en beperkingen onderschat en de praktijk laat zien dat het ontwikkelen van arbeidsvermogen niet realistisch is. Appellant heeft erop gewezen dat hem vanaf 27 februari 2018 alsnog een Wajong-uitkering is toegekend in verband met het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Volgens appellant was van een vergelijkbare situatie sprake op 1 december 2015.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Over de beroepsgrond, dat de aanvraag beoordeeld had moeten worden aan de hand van de bepalingen van de Wajong 2010, wordt als volgt geoordeeld.

4.1.1.

Bij de Wet van 2 juli 2014 (Stb. 2014, 270) is na hoofdstuk 1 van de Wajong 2010 een hoofdstuk 1A ingevoegd en is een groot aantal wijzigingen aangebracht in de hoofdstukken 2 en 3 van de Wajong 2010. Deze wijzigingen zijn per 1 januari 2015 van kracht geworden (Stb. 2014, 271). In artikel 2:15, tweede lid, van de Wajong 2015 is bepaald dat het recht op arbeidsondersteuning op grond van hoofdstuk 2 ontstaat op de dag dat aan alle voorwaarden wordt voldaan, maar niet eerder dan zestien weken na de dag waarop de aanvraag werd ingediend. Op grond van het derde lid, aanhef en onder a, van de Wajong 2015 ontstaat in afwijking van het tweede lid het recht op arbeidsondersteuning op de dag waarop de aanvraag om het recht op arbeidsondersteuning werd ingediend, indien de jonggehandicapte volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. In artikel 2:15, vierde lid, van de Wajong 2015 is bepaald dat het recht op arbeidsondersteuning als bedoeld in hoofdstuk 2 niet ontstaat, als dit zou ingaan op of na 1 januari 2015.

4.1.2.

Appellant heeft zijn aanvraag ingediend op 1 december 2015. Dit is na het moment waarop gelet op artikel 2:15, vierde lid, van de Wajong 2015 nog een recht op arbeidsondersteuning op grond van de Wajong 2010 kon ontstaan. Uit 4.1.1 volgt dat er geen ruimte is voor beoordeling van de aanvraag aan de hand van de Wajong 2010. Er is in dit geval niet gebleken van een bijzondere omstandigheid, die moet leiden tot het buiten toepassing laten van de in 4.1.1 genoemde, dwingendrechtelijke bepalingen. Het Uwv heeft de aanvraag van appellant terecht beoordeeld op grond van de bepalingen van hoofdstuk 1A van de Wajong 2015.

4.2.

Over de beroepsgrond, dat appellant ook op basis van de bepalingen van hoofdstuk 1A van de Wajong 2015 als jonggehandicapte moet worden aangemerkt, wordt als volgt overwogen.

4.2.1.

Niet in geschil is dat appellant op de dag waarop hij de aanvraag heeft ingediend,

1 december 2015, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.

4.2.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ter onderbouwing van het standpunt dat op 1 december 2015 bij appellant het arbeidsvermogen niet duurzaam ontbrak gesteld dat er geen sprake is van een progressief ziektebeeld en evenmin van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. Uit informatie van GGz Breburg heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afgeleid dat er weliswaar twijfels bestaan over de mogelijkheid van een reguliere baan in de toekomst, maar dat deze mogelijkheid toch kans van slagen heeft. Hiermee is onvoldoende onderbouwd dat op 1 december 2015 in medisch opzicht geen sprake was van duurzaamheid, gelet op het volgende.

4.2.3.

De behandelaars van appellant hebben te kennen gegeven dat bij appellant sprake is van een complex psychiatrisch beeld met een persisterende waanstoornis bij ASS in combinatie met verslavingsproblematiek en zwakbegaafdheid. De aanwezige problematiek is chronisch. Appellant is aangemeld voor beschermd wonen, omdat zijn zelfstandige vaardigheden ontoereikend zijn om een behoorlijk zelfmanagement te ontwikkelen. De behandelaars hebben in maart 2016 ingeschat dat, zelfs als het lukt het chronisch psychotisch toestandsbeeld van appellant door antipsychotica te klaren, appellant onvoldoende in staat zal zijn om (regulier) werk aan te kunnen in verband met een verhoogd risico tot snel oplopende spanning, deregulatie en recidive psychotische kenmerken. De kans op overvraging loert, met versterking van de klachten.

4.2.4.

Dit door de behandelaars geschetste beeld stemt in grote lijnen overeen met wat een verzekeringsarts bij zijn beoordeling van de duurzaamheid per 27 februari 2018 in zijn medisch rapport heeft vermeld. Deze verzekeringsarts heeft verbetering van het functioneren van appellant tot een niveau waarbij hij belastbaar zou zijn voor arbeid niet reëel geacht op grond van meervoudig complexe problematiek die zichzelf in stand houdt. De combinatie van intellectuele beperkingen, ontwikkelings- en gedragsproblematiek bij appellant, zorgt ervoor dat er weinig ingang is voor gerichte behandeling. De behandeling die er is, is met name gericht op stabilisatie van het toestandsbeeld en op het basale functioneren in het dagelijks leven. Hulp aan appellant moet zich richten op het herstel van jarenlange overvraging. Gelet hierop is appellant met ingang van 27 februari 2018 in aanmerking gebracht voor een Wajong-uitkering.

4.2.5.

Met appellant wordt geoordeeld dat niet valt in te zien waarin de op 27 februari 2018 aanwezige onderliggende complexe meervoudige problematiek verschilt van de situatie op

1 december 2015. Het moet er daarom voor worden gehouden dat appellant al per

1 december 2015 jonggehandicapte was in de zin van hoofdstuk 1A van de Wajong 2015.

4.2.6.

Uit 4.2.2 tot en met 4.2.5 volgt dat het hoger beroep slaagt. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit ten onrechte in stand gelaten. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden vernietigd. Er is voorts aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat appellant over de periode van 1 december 2015 tot 27 februari 2018 in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering.

5. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in bezwaar en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.536,- (bezwaarschrift 1 punt,

hogerberoepschrift 1 punt, zitting 1 punt, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het

bestreden besluit in stand zijn gelaten;

- stelt vast dat appellant over de periode van 1 december 2015 tot 27 februari 2018 recht heeft op een Wajong-uitkering en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde

besluit van 12 juli 2016;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.536,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 124,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en

D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van O.V. Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2019.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) O.V. Vries

LO