Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2867

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
18/4583 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De beroepsgrond dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die zouden moeten leiden tot het buiten toepassing laten van de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW slaagt niet. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat van bijzondere omstandigheden als bedoeld in de door haar genoemde rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2014:3679) geen sprake is. Dat de ratio van de uitsluitingsgrond is dat iemand die verblijf houdt in het buitenland in het algemeen niet beschikbaar is voor de Nederlandse arbeidsmarkt en het verrichten van sollicitatieactiviteiten in Nederland en dat appellante tijdens haar verblijf in Gambia wel beschikbaar was voor de Nederlandse arbeidsmarkt en het verrichten van sollicitatieactiviteiten maakt, wat daarvan ook zij, niet dat toepassing van deze dwingendrechtelijke bepaling uit de WW geen rechtsplicht meer kan zijn. Hetzelfde geldt voor het feit dat zij in Gambia nuttig vrijwilligerswerk heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2019-0036
USZ 2019/268
RSV 2019/235 met annotatie van A.H. Rebel
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/4583 WW, 18/5730 WW en 19/2396 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 juli 2018, 17/4100 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats], Gambia (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 21 augustus 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A.T. Sick hoger beroep ingesteld.

Appellante en het Uwv hebben nadere stukken overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Sick. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is vanaf 23 mei 2011 werkzaam geweest als manager in de kinderopvang voor 37 uur per week. Op 1 december 2013 heeft appellante het Uwv gevraagd om haar in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2.

Bij besluit van 11 januari 2014 is appellante per 1 januari 2014 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Naar aanleiding van een controle op het recht op WW-uitkering van appellante is het Uwv een onderzoek gestart naar de verblijfplaats van appellante. De bevindingen van dit onderzoek staan vermeld in een onderzoeksrapport van 27 oktober 2016. Daarin is geconcludeerd dat appellante vanaf 22 augustus 2014 anders dan wegens vakantie in het buitenland, namelijk in Gambia, verblijft. De WW-uitkering is vervolgens op verzoek van appellante per 26 september 2016 stopgezet.

1.3.

Bij besluit van 17 november 2016 is de WW-uitkering van appellante wegens verblijf in het buitenland met ingang van 22 augustus 2014 ingetrokken.

1.4.

Bij besluit van 5 januari 2017 is de WW-uitkering van appellante vanaf 18 augustus 2014 ingetrokken en is over de periode van 18 augustus 2014 tot en met 18 september 2016 een bedrag van € 75.949,08 aan volgens het Uwv ten onrechte verstrekte WW-uitkering van appellante teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 10 april 2017 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante het teruggevorderde bedrag voorlopig niet kan betalen.

1.6.

Bij beslissing op bezwaar van 5 mei 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 17 november 2016 en 5 januari 2017 gegrond verklaard. Het Uwv heeft besloten de WW-uitkering niet vanaf 18 augustus 2014, maar pas vanaf

1 januari 2015 in te trekken. Verder heeft het Uwv aangenomen dat appellante gedurende een zestal (korte) perioden binnen de eerder in aanmerking genomen periode wel in Nederland heeft verbleven en deze perioden uitgezonderd van de intrekking en terugvordering. Het teruggevorderde bedrag is in verband hiermee verlaagd naar € 55.773,49.

1.7.

Bij besluit van 28 augustus 2018 heeft het Uwv het verzoek van appellante om kwijtschelding van de terugvordering afgewezen.

1.8.

Bij besluit van 29 augustus 2018 heeft het Uwv het verzoek van appellante om de invorderingstermijn te beperken tot drie jaar afgewezen.

1.9.

Bij besluit van 17 september 2018 heeft het Uwv opnieuw vastgesteld dat appellante het teruggevorderde bedrag voorlopig niet kan betalen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv de herziening met terugwerkende kracht terecht heeft gebaseerd op artikel 22a, aanhef en onder a, van de WW in verbinding met artikel 25 van de WW, nu appellante door het niet melden van verblijf in het buitenland, de inlichtingenplicht heeft geschonden. Niet in geschil is dat appellante, behoudens enkele perioden van kort verblijf in Nederland, met ingang van 1 januari 2015 anders dan wegens vakantie verblijf hield in Gambia. Daarmee staat vast dat appellante op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW vanaf 1 januari 2015 geen recht meer had op een WW-uitkering. De stelling dat appellante haar recht op WW-uitkering desondanks heeft behouden omdat zij steeds is blijven solliciteren en op grond daarvan beschikbaar is gebleven voor de Nederlandse arbeidsmarkt, slaagt niet omdat op grond van vaste rechtspraak het al of niet beschikbaar zijn of blijven voor de arbeidsmarkt niet relevant is voor de toepassing van de uitsluitingsbepaling van verblijf in het buitenland (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 24 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4403). Het vrijwilligerswerk in Gambia is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan strikte toepassing van een dwingendrechtelijke bepaling in die mate in strijd komt met algemene rechtsbeginselen dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Dringende redenen waardoor van terugvordering moet worden afgezien zijn niet gebleken. De hypotheekschuld van appellante en de problemen met haar ex-echtgenoot zijn geen onaanvaardbare financiële consequenties als gevolg van de terugvordering. Daarbij is van belang geacht dat appellante geen maandelijkse hypotheeklasten voor de betreffende woning hoeft af te dragen en dat op basis van een inkomens- en vermogensonderzoek is vastgesteld dat appellante voorlopig niet kan betalen. Voorts is niet gebleken dat de terugvordering voor appellante in sociaal/medisch opzicht onaanvaardbare gevolgen heeft. Dat appellante hartproblemen en psychische problemen heeft is niet met concrete medische gegevens schriftelijk onderbouwd. Daarbij heeft het Uwv appellante gewezen op de mogelijkheid van het indienen van een kwijtscheldingsverzoek.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij de inlichtingenplicht niet bewust heeft overtreden. Voorts heeft zij aangevoerd dat artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW op zich juist is toegepast, maar buiten toepassing moet worden gelaten op grond van exceptionele omstandigheden, te weten dat appellante enerzijds, ondanks haar verblijf in Gambia, aan alle verplichtingen ingevolge de WW voldeed en anderzijds de reden van het verblijf in Gambia, zijnde zeer nuttig vrijwilligerswerk. Verder heeft appellante aangevoerd dat op grond van dringende redenen, bestaande uit financiële, sociale en medische omstandigheden, van terugvordering moet worden afgezien. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat haar verzoeken om kwijtschelding en inkorting van de invorderingstermijn ten onrechte zijn afgewezen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Ten aanzien van de verzoeken om kwijtschelding en inkorting van de invorderingstermijn heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat appellante niet aan de voorwaarden daarvoor voldoet.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Hangende het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft het Uwv de besluiten van 28 en 29 augustus 2018 genomen. Appellante heeft tegen deze besluiten beroep ingesteld. Appellante en het Uwv hebben de Raad verzocht om deze besluiten bij de beoordeling van het hoger beroep tegen het bestreden besluit te betrekken. Gelet hierop en op het belang van definitieve geschilbeslechting, zal de Raad deze besluiten (procedurenummers 18/5730 en 19/2396 WW) bij de beoordeling betrekken.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante vanaf 1 januari 2015, met uitzondering van (korte) perioden van verblijf in Nederland die bij het bestreden besluit buiten de intrekking en terugvordering zijn gelaten, anders dan wegens vakantie, in Gambia verbleef en dat zij dat niet aan het Uwv heeft gemeld. Evenmin zijn de perioden waarover de uitkering is ingetrokken in geschil en de hoogte van het terug te vorderen bedrag als zodanig.

4.3.

Wel in geschil is of het Uwv terecht tot intrekking en terugvordering van de

WW-uitkering van appellante is overgegaan op de grond dat zij haar inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te vermelden dat zij in het buitenland verbleef. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of er omstandigheden zijn op grond waarvan de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW buiten toepassing dient te blijven en of er sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Verder is in geschil of de verzoeken om kwijtschelding en inkorting van de invorderingstermijn terecht zijn afgewezen.

4.4.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellante de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 25 van de WW heeft geschonden door niet te melden dat zij in Gambia verbleef. De overwegingen van de rechtbank hierover in 6.3 van de aangevallen uitspraak worden volledig onderschreven. Het ter zitting door appellante ingenomen standpunt, dat zij niet wist dat zij dit moest doorgeven en dat zij, toen zij dit wel wist, haar WW-uitkering heeft stopgezet, wordt niet gevolgd. In het toekenningsbesluit van 11 januari 2014 staat duidelijk vermeld dat appellante wijzigingen in haar situatie binnen een week door moet geven. Bovendien blijkt uit de gedingstukken dat appellante op 4 maart 2015 heeft geïnformeerd naar de mogelijkheden om vrijwilligerswerk te doen, waarna het Uwv heeft geantwoord dat zij daarvoor toestemming aan het Uwv moet vragen via een toestemmingsformulier. Dit formulier is klaargezet in haar werkmap. Hierop heeft appellante geantwoord dat zij het formulier zal bekijken, maar vervolgens is niets meer van appellante vernomen.

4.5.

Tevens wordt met de rechtbank geoordeeld dat appellante tijdens haar verblijf in Gambia in de hier van belang zijnde perioden vanaf 1 januari 2015 op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW geen recht meer had op een WW-uitkering. De overwegingen van de rechtbank hierover in 6.1 van de aangevallen uitspraak worden eveneens volledig onderschreven.

4.6.

De beroepsgrond dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die zouden moeten leiden tot het buiten toepassing laten van de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW slaagt niet. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat van bijzondere omstandigheden als bedoeld in de door haar genoemde rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2015:3679) geen sprake is. Dat de ratio van de uitsluitingsgrond is dat iemand die verblijf houdt in het buitenland in het algemeen niet beschikbaar is voor de Nederlandse arbeidsmarkt en het verrichten van sollicitatieactiviteiten in Nederland en dat appellante tijdens haar verblijf in Gambia wel beschikbaar was voor de Nederlandse arbeidsmarkt en het verrichten van sollicitatieactiviteiten maakt, wat daarvan ook zij, niet dat toepassing van deze dwingendrechtelijke bepaling uit de WW geen rechtsplicht meer kan zijn. Hetzelfde geldt voor het feit dat zij in Gambia nuttig vrijwilligerswerk heeft verricht.

4.7.

De beroepsgrond dat het Uwv op grond van dringende redenen van terugvordering zou moeten afzien slaagt evenmin. Niet gebleken is dat appellante als gevolg van de terugvordering in een onaanvaardbare situatie terecht is gekomen. De rechtbank heeft in 6.5 tot en met 6.7 van de aangevallen uitspraak met juistheid overwogen dat er geen financiële, sociale en/of medische redenen zijn aan te merken als dringende redenen. Gelet op appellantes financiële situatie is met de besluiten van 10 april 2017 en 17 september 2018 vastgesteld dat voorlopig niet wordt ingevorderd. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv meegedeeld dat er nog steeds niet wordt ingevorderd, gelet op het ontbreken van inkomsten.

4.8.

Het verzoek om kwijtschelding van de onverschuldigd betaalde uitkering heeft het Uwv in het besluit van 28 augustus 2018, gelet op artikel 36, tweede en derde lid, van de WW, terecht afgewezen. Nu appellante de inlichtingenplicht heeft overtreden en vaststaat dat nog geen tien jaar zijn verstreken sinds het eerste besluit van 10 april 2017 om voorlopig niet tot invordering over te gaan, voldoet appellante niet aan de voorwaarden om voor kwijtschelding in aanmerking te komen.

4.9.

Het verzoek om na drie jaar van verdere terugvordering af te zien heeft het Uwv in het besluit van 29 augustus 2018 eveneens terecht afgewezen. Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 36c van de WW is niet voldaan, reeds omdat de in geding zijnde vordering is ontstaan door het niet nakomen van de inlichtingenplicht en in verband hiermee aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van Strafrecht.

4.10.

Uit wat in 4.4 tot en met 4.9 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, en dat het beroep tegen de besluiten van 28 en 29 augustus 2018 ongegrond verklaard moet worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen de besluiten van 28 en 29 augustus 2018 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en S. Wijna en

G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2019.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) D.S. Barthel

VC