Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2852

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2019
Datum publicatie
03-09-2019
Zaaknummer
17/5745 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WIA met ingang van 4 februari 2013, 19 februari 2015 en 14 augustus 2015 terecht vastgesteld op respectievelijk 51,30%, 50,60% en 55,50%. Medische beperkingen van appellant juist vastgesteld. Geselecteerde functies zijn voor appellant passend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5745 WIA, 17/5750 WIA, 17/5751 WIA, 17/5752 WIA

Datum uitspraak: 28 augustus 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 juli 2017, 16/2828, 17/744, 17/745 en 17/746 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2019. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als stratenmaker voor ongeveer 40 uur per week. Op
18 augustus 2008 is hij uitgevallen met knie- en heupklachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 16 augustus 2010 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 43,14%.

1.2.

Met ingang van 1 maart 2011 is appellant voor 40 uur per week gaan werken als meewerkend uitvoerder. Op 3 februari 2013 heeft appellant zich voor dit werk ziek gemeld wegens klachten aan de handen en de heupen. Op 28 mei 2015 heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden, waarbij de belastbaarheid van appellant is vastgesteld. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat sprake is van toegenomen beperkingen die gelden vanaf 4 februari 2013 en ook nog aanwezig zijn per
19 februari 2015. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige functies geselecteerd die appellant met inachtneming van deze beperkingen op beide data nog zou kunnen verrichten.

1.3.

Bij besluit van 18 juni 2015 (besluit 1) heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 4 februari 2013 toegenomen arbeidsongeschikt is. Appellant is 49,60% arbeidsongeschikt. De uitkering wijzigt hierdoor niet.

1.4.

Bij besluit van eveneens 18 juni 2015 (besluit 2) heeft het Uwv vastgesteld dat appellant ook per 19 februari 2015 toegenomen arbeidsongeschikt is. Appellant is op deze datum 52,30% arbeidsongeschikt. De uitkering wijzigt hierdoor niet.

1.5.

Bij besluit van 15 september 2015 (besluit 3) heeft het Uwv vastgesteld dat de
WIA-uitkering van appellant vanaf 19 februari 2015 € 2.506,99 bruto per maand bedraagt omdat hij vanaf deze datum recht heeft op een garantie-uitkering.

1.6.

Inmiddels had appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld bij het Uwv. In verband met deze melding heeft op 24 november 2015 een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en op 31 december 2015 een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Bij besluit van 14 januari 2016 (besluit 4) heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 14 augustus 2015 52,36% arbeidsongeschikt is. De uitkering wijzigt hierdoor niet.

1.7.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten 1 tot en met 4. In verband hiermee heeft nader onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

1.8.

Bij besluiten van 2 augustus 2016 (bestreden besluiten I tot en met IV) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen besluit 1 gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid per 4 februari 2013 vastgesteld op 51,30%, het bezwaar tegen besluit 2 gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid per 19 februari 2015 vastgesteld op 50,60%, het bezwaar tegen besluit 3 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen besluit 4 gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid per 14 augustus 2015 vastgesteld op 55,50%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten I tot en met IV ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het volgende overwogen.

2.1.

De rechtbank heeft het medisch onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig geacht. Daarbij is van belang geacht dat de verzekeringsarts het dossier heeft bestudeerd, een anamnese heeft afgenomen en appellant lichamelijk en psychisch heeft onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep was aanwezig bij de hoorzitting. Hij heeft kennisgenomen van het bezwaarschrift, het dossier bestudeerd en de opgevraagde medische informatie van de behandelend artsen bij de beoordeling betrokken, te weten een brief van
9 juni 2016 van orthopedisch chirurg H. Hamelinck, een brief van 16 juni 2016 van neuroloog R.A.J.A.M. Bernsen, een brief van 28 juni 2016 van orthopedisch chirurg N. Bennink en een brief van 6 juli 2016 van GZ-psycholoog D. Sofi. De rechtbank heeft geen reden gezien om te oordelen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend onderzoek had moeten verrichten. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep inconsistenties bevat of dat dit onvoldoende is gemotiveerd.

2.2.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van appellant per 4 februari 2013, 19 februari 2015 en 14 augustus 2015 onjuist heeft ingeschat. Het Uwv was bekend met de lichamelijke klachten (schouder-, pols-, heup-, en rugklachten) en psychische klachten (PTSS) en de rechtbank heeft geen reden gezien om aan te nemen dat het Uwv de hiermee verband houdende (objectiveerbare) beperkingen heeft onderschat. Dat appellant meer beperkingen ervaart dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zijn weergegeven, kan er niet toe leiden dat meer beperkingen moeten worden aangenomen. De rechtbank heeft met name van belang geacht dat appellant in beroep geen nieuwe medische verklaringen heeft overgelegd die zijn stellingen kunnen onderbouwen.

2.3.

Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde medische beperkingen, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de per 4 februari 2013, 19 februari 2015 en 14 augustus 2015 geduide functies voor appellant niet geschikt zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de zogeheten signaleringen van een adequate toelichting voorzien.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat hij nooit goed lichamelijk en psychisch is onderzocht door het Uwv. Appellant heeft een overzicht gegeven van zijn klachten en heeft aangevoerd dat hij niet tot werken in staat is.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft hierbij verwezen naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 augustus 2017.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep van appellant tegen bestreden besluiten I, II en IV. In geschil is dan ook enkel of de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA met ingang van 4 februari 2013, 19 februari 2015 en 14 augustus 2015 terecht is vastgesteld op respectievelijk 51,30%, 50,60% en 55,50%.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot die besluiten en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat het Uwv ook medische beperkingen heeft aangenomen in verband met de handklachten van appellant als gevolg van een carpaal tunnel syndroom. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd wordt het volgende overwogen.

4.3.

Anders dan appellant stelt is hij wel door verzekeringsartsen van het Uwv onderzocht. Ter vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 4 februari 2013 en 19 februari 2015 heeft verzekeringsarts H. Vogelsang blijkens zijn rapport van 28 mei 2015 appellant zowel lichamelijk als psychisch onderzocht en mede op basis van zijn bevindingen de medische beperkingen van appellant vastgesteld. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 14 augustus 2015 heeft verzekeringsarts J. Oliveiro blijkens zijn rapport van 24 november 2015 appellant eveneens lichamelijk en psychisch onderzocht en bij het vaststellen van de medische beperkingen rekening gehouden met zijn bevindingen. Dat appellant het medisch onderzoek door beide verzekeringsartsen anders heeft ervaren, doet daar niet aan af. In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant geobserveerd tijdens de hoorzitting. Weliswaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant in bezwaar niet opnieuw onderzocht, maar hij heeft wel nadere informatie ingewonnen bij de behandelend artsen en psycholoog van appellant en deze informatie bij zijn beoordeling betrokken. De arbeidsdeskundige heeft volgens het rapport van 4 juni 2015 telefonisch contact gehad met appellant om de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Daarnaast is door de arbeidsdeskundige en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep per functie en gelet op de beperkingen van appellant gemotiveerd waarom de geselecteerde functies voor appellant passend zijn. De stelling van appellant dat enkel sprake is van een computerbeoordeling en daarom van een onzorgvuldig onderzoek, kan dan ook niet worden gevolgd.

4.4.

Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat appellant op de in geding zijnde data meer of anders beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen. Met alle door appellant genoemde klachten en de informatie van de behandelaars van appellant is door de verzekeringsartsen rekening gehouden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op grond van de informatie van de neuroloog en de orthopedisch chirurg aangenomen dat er met ingang van 14 augustus 2015 sprake is van toegenomen beperkingen. Tevens is van belang dat appellant ook in hoger beroep zijn standpunt, dat hij niet meer in staat is om te werken, niet aan de hand van objectieve medische gegevens heeft onderbouwd.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevallen in hoger beroep, worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2019.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) C.I. Heijkoop

IvR