Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2849

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-08-2019
Datum publicatie
03-09-2019
Zaaknummer
18/4050 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk strafontslag wegens plichtsverzuim. Gedraging 1, privégebruik dienstauto. Gedraging 2, slordig en dubbel declareren parkeerkosten. Gedraging 3, privé-naslag RDW en zakelijke internetvoorziening. Gedraging 4, niet onmiddellijk inleveren gegevensdragers. Gedraging 5, niet bijhouden en ongeoorloofd wijzigen van kaart, lijst en dossier. Gedraging 6, ondanks waarschuwing nogmaals privé gebruiken van dienstauto. Hoewel de Raad ten aanzien van de gedragingen 2 tot en met 6 geen plichtsverzuim aanneemt, is de Raad niettemin van oordeel dat gedraging 1 een onvoorwaardelijk strafontslag rechtvaardigt. Gezien de aard en ernst van de verweten gedraging en de terecht hoge eisen van betrouwbaarheid, verantwoordelijkheid en integriteit die aan medewerkers worden gesteld, is de Raad met de minister van oordeel dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2019/148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4050 AW, 18/5184 AW

Datum uitspraak: 29 augustus 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

15 juni 2018, 17/3312 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Unger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Namens appellant heeft mr. Unger een zienswijze op het incidenteel hoger beroep en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Unger. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. M.J.H. Grandiek.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1 november 2004 werkzaam bij de [onderdeel] ( [onderdeel] ). In juni 2015 heeft de minister opdracht gegeven voor een onderzoek naar eventueel plichtsverzuim door appellant.

1.2.

Bij besluit van 15 januari 2016 heeft de minister met toepassing van artikel 91, eerste lid, aanhef en onder c, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) appellant in het belang van de dienst met onmiddellijke ingang geschorst en hem met toepassing van artikel 77, eerste lid, van het ARAR de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk dan wel het verblijf aldaar ontzegd.

1.3.

Bij besluit van 11 mei 2016 heeft de minister de grondslag van de schorsing van appellant gewijzigd en met ingang van die datum gebaseerd op artikel 91, eerste lid, onder b, van het ARAR.

1.4.

Bij besluit van 7 juli 2016 heeft de minister appellant meegedeeld de bezoldiging met ingang van 1 juni 2016 voor 15% in te houden.

1.5.

Na een voornemen daartoe, waarop appellant zowel schriftelijk als mondeling zijn zienswijze heeft gegeven, heeft de minister bij besluit van 13 juli 2016 met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR appellant per 1 augustus 2016 wegens plichtsverzuim onvoorwaardelijk strafontslag verleend. Aan het plichtsverzuim heeft de minister - voor zover voor de beoordeling van de hoger beroepen nog van belang - ten grondslag gelegd dat appellant:

1. de dienstauto die hij tot zijn beschikking had in de periode van december 2013 tot en met juli 2015 regelmatig voor privédoeleinden heeft gebruikt en daarmee tenminste 6350 privékilometers heeft gereden;

2. slordig declareert en kosten voor de parkeerplaats van de dienstauto 22 keer dubbel heeft gedeclareerd;

3. niet-werk gerelateerde naslagen in het register van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) heeft gedaan en voor privédoeleinden en operationele zaken gebruik heeft gemaakt van de zakelijke internetvoorziening;

4. gegevensdragers niet onmiddellijk heeft ingeleverd;

5. zijn dossier, lijst en kaart niet heeft bijgehouden en het dossier ongeoorloofd heeft gewijzigd;

6. na een waarschuwing de dienstauto nogmaals privé heeft gebruikt.

1.6.

Bij besluit van 20 april 2017 (bestreden besluit) heeft de minister de tegen de besluiten van 7 juli 2016 en 13 juli 2016 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij bij de verweten gedraging 1 het aantal niet door de echtgenote van appellant verreden kilometers, bij verweten gedraging 3 het gebruik maken van de zakelijke internetvoorziening, verweten gedraging 5 en verweten gedraging 6 als plichtsverzuim zijn aangemerkt, alsmede voor zover verweten gedraging 2 volledig aan appellant is toegerekend, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven.

3. In hoger beroep hebben appellant en de minister zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het gaat in dit hoger beroep alleen nog om het appellant gegeven onvoorwaardelijk strafontslag. Appellant wil met zijn hoger beroep bereiken dat het onvoorwaardelijk ontslag ongedaan gemaakt wordt. De minister wil met het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep bereiken dat alle verweten gedragingen als toerekenbaar plichtsverzuim worden aangemerkt.

4.2.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

Gedraging 1 – privégebruik dienstauto

4.3.1.

In de Toelichting dienstvoertuigen van 27 augustus 2010 staat dat “gebruik van dienstvoertuigen in de privésfeer/tijd niet is toegestaan. Uitzondering hierop zijn de piketdiensten.”

4.3.2.

In de bezwaarfase en ter zitting bij de Raad heeft appellant erkend dat zijn partner 1789 kilometers heeft gereden in de dienstauto, terwijl hij op dienstreis was. Het gebruik van de dienstauto door een partner voor privédoeleinden valt onder het verbod als weergegeven in de in 4.3.1 genoemde Toelichting dienstvoertuigen. Dit levert plichtsverzuim op, dat toerekenbaar is. Appellant heeft niet betwist te weten dat de dienstauto niet voor privédoeleinden mocht worden gebruikt. Appellant is zelf verantwoordelijk voor het beheer van de sleutels van de dienstauto.

Gedraging 2 – slordig en dubbel declareren parkeerkosten

4.4.1.

De Raad begrijpt het standpunt van de minister in het verweerschrift in hoger beroep aldus dat appellant het slordig declareren niet (langer) als plichtsverzuim wordt verweten. Het gaat alleen nog om het dubbel declareren.

4.4.2.

Appellant heeft de enigszins complexe gang van zaken, in verband met het geheime karakter van het werk, bij het declareren van deze kosten ter zitting uitgelegd. Deze gang van zaken is van de zijde van de minister bevestigd. Feitelijk was hier geen sprake van dubbel declareren in de gewone betekenis. Appellant heeft verzuimd de gedeclareerde kosten over te zetten van het ene systeem naar het andere. Daarbij komt betekenis toe aan genoemde complexiteit, de relatief grote bedragen die vanuit de aard van het werk van appellant regelmatig gedeclareerd werden, niet maandelijks maar in periodes van een groot aantal (“opgespaarde”) maanden achteraf en - ten slotte - de slordigheid van appellant waarvoor hij juist begeleiding had gevraagd. Die slordigheid wordt echter niet langer ten laste gelegd. Omdat wat uiteindelijk is misgegaan bij het declareren van de parkeerkosten, in dit geval meer op het vlak van de onjuiste taakvervulling ligt, is hier naar het oordeel van de Raad geen sprake van plichtsverzuim. Aan de (verminderde) toerekenbaarheid van deze gedragingen komt de Raad niet toe.

Gedraging 3 – privé-naslag RDW en zakelijke internetvoorziening

4.5.1.

In de Leidraad integrale beveiliging is onder meer vermeld: “Het is (…) verboden om de [onderdeel] -systemen te raadplegen voor privédoeleinden of doeleinden die niet voortvloeien uit de opgedragen werkzaamheden. (…) Het gaat daarbij onder meer om (…) het naslaan van privégegevens (bijvoorbeeld (…) kentekens)”. En verder “Het is niet toegestaan om persoons gerelateerde informatie van jezelf (…) te verzenden of ontvangen”.

4.5.2.

Appellant heeft betwist dat de RDW-raadplegingen niet werkgerelateerd waren en heeft dat ter zitting van de Raad helder en gedetailleerd uitgelegd. Die uitleg wordt ondersteund door de schriftelijke verklaring van K en komt de Raad plausibel voor. Omdat daartegenover van de kant van de minister geen andere, concrete informatie is verstrekt komt de Raad tot het oordeel dat de RDW-naslag voortvloeide uit het opgedragen werk en dus geen overtreding van het verbod en daarmee geen plichtsverzuim oplevert. Van het gewraakte verweten gebruik van de zakelijke internetvoorziening heeft appellant gesteld dat dit is gedaan op de operationele laptop en daarom werkgerelateerd was, wat door de minister enkel in algemene bewoordingen en dus niet gemotiveerd is weersproken. De Raad ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van wat appellant hierover ter zitting van de Raad heeft verteld. De conclusie is dan ook dat gedraging 3 geen plichtsverzuim oplevert.

Gedraging 4 – niet onmiddellijk inleveren gegevensdragers

4.6.1.

Appellant heeft in hoger beroep gesteld, dat de bewuste gegevensdragers niet al voor

21 augustus 2015 moesten worden ingeleverd en dat de medewerker die bij hem op

20 augustus 2015 langskwam niet de opdracht had om de spullen te komen ophalen, zoals blijkt uit diens verklaring van 22 januari 2019. De minister heeft gesteld dat appellant juist had gezegd dat deze spullen op 20 augustus 2015 bij hem thuis konden worden opgehaald. De Raad stelt vast dat uit deze stellingen, noch de gedingstukken, daadwerkelijk blijkt van een (dienst)opdracht om de bewuste gegevensdragers al op 19 augustus 2015 in te leveren. Evenmin blijkt van de noodzaak dat dit met spoed moest gebeuren. Integendeel, het op 20 of 21 augustus 2015 door appellant gebezigde schonen van deze gegevensdragers wordt hem niet (langer) verweten. Een en ander laat zich slecht met elkaar rijmen. De Raad volgt appellant dan ook in zijn standpunt dat bij deze verweten gedraging geen sprake is van plichtsverzuim.

Gedraging 5 – niet bijhouden en ongeoorloofd wijzigen van kaart, lijst en dossier

4.7.

Ook voor deze gedraging geldt dat appellant zijn handelwijze ter zitting van de Raad helder en gedetailleerd heeft uiteengezet. Het komt erop neer dat geen sprake is van een ongeoorloofde wijziging, omdat onderliggende plannen steeds vooraf zijn goedgekeurd, zodat zijn leidinggevende op de hoogte was van de wijzigingen. Omdat daartegenover van de kant van de minister geen andere, concrete informatie is verstrekt en hij heeft volstaan met een loutere betwisting, komt de Raad tot de conclusie dat deze gedragingen appellant niet als plichtsverzuim kunnen worden tegengeworpen. Waar het gaat om het niet bijhouden van kaart en lijst overweegt de Raad dat dit in dit geval meer op het vlak van een onjuiste taakvervulling ligt dan op disciplinair vlak.

Gedraging 6 – ondanks waarschuwing nogmaals privé gebruiken van dienstauto

4.8.

Volgens de minister is de partner van appellant op 26 mei 2015 aangesproken op privégebruik van de dienstauto en heeft appellant daarna de dienstauto een aantal keren privé gebruikt. De Raad stelt vast dat dit standpunt meebrengt dat appellant zelf niet is gewaarschuwd. Van een waarschuwing aan het adres van appellant is uit de gedingstukken ook niet gebleken. Reeds hierom heeft appellant zich niet in strijd met een waarschuwing gedragen en kan de verweten gedraging niet worden aangemerkt als plichtsverzuim. Daar komt bij dat appellant onweersproken heeft gesteld dat zijn leidinggevende geen bezwaar had tegen deze specifieke ritten, omdat de eigen auto van appellant in reparatie was en deze ritten verband hielden met het feit dat zijn zwangere partner (medische) zorg nodig had. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat deze gedraging, zoals aan appellant is verweten, niet is komen vast te staan.

4.9.

De Raad concludeert dat gedraging 1 toerekenbaar plichtsverzuim oplevert. De minister was daarom bevoegd appellant een disciplinaire straf op te leggen.

De onevenredigheid van het onvoorwaardelijk strafontslag

4.10.

Hoewel de Raad ten aanzien van de gedragingen 2 tot en met 6 geen plichtsverzuim aanneemt, is de Raad niettemin van oordeel dat gedraging 1 een onvoorwaardelijk strafontslag rechtvaardigt. Het gaat hier immers om verboden privégebruik van een dienstauto over een langere periode met een aanzienlijk aantal kilometers. Gezien de aard en ernst van de verweten gedraging en de terecht hoge eisen van betrouwbaarheid, verantwoordelijkheid en integriteit die aan medewerkers van de [onderdeel] worden gesteld, is de Raad met de minister van oordeel dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim. Daar komt bij dat het hier een operationele functie bij de [onderdeel] betreft, die naar zijn aard een vertrouwensfunctie is, en appellant als leider bovendien een voorbeeldfunctie had voor de rest van zijn team. Dat appellant al sinds 2004 in dienst is en zijn operationele werk naar volle tevredenheid heeft gedaan, legt hiertegenover onvoldoende gewicht in de schaal.

4.11.

Uit 4.2 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd. Omdat het hoger beroep niet slaagt, wordt niet toegekomen aan een oordeel over het voorwaardelijk ingestelde incidenteel hoger beroep van de minister.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en H. Lagas en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2019.

(getekend) J.J.T. van de Corput

(getekend) L.R. Daman

rh