Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2843

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2019
Datum publicatie
03-09-2019
Zaaknummer
16/6881WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:7456, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dagloon WW-uitkering juist vastgesteld. Omdat sprake is van een aanvraagsituatie ligt het primair op de weg van appellante om aan de hand van voldoende eenduidige en concrete gegevens aannemelijk te maken dat zij in de referteperiode heeft gewerkt voor BV en daaruit bepaalde inkomsten heeft genoten, die betrokken zouden moeten worden in de vaststelling van het dagloon. Appellante is daarin niet geslaagd. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen zijn de gestelde werkzaamheden niet opgenomen in de polisadministratie en zijn de stukken en verklaringen die appellante heeft ingebracht onvoldoende duidelijk om de duur en de omvang van de werkzaamheden van appellante bij BV te kunnen vaststellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6881 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

30 september 2016, 16/508 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 28 augustus 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Uzumcu, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Uzumcu. Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 1 augustus 2013 als administratief medewerkster in dienst getreden bij [naam 1] , handelend onder de naam [naam bedrijf] . Dit dienstverband is op 30 april 2015 geëindigd. Appellante heeft op 8 juni 2015 een aanvraag voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) per 1 mei 2015 ingediend.

1.2.

Bij besluit van 23 juni 2015 heeft het Uwv appellante met ingang van 4 mei 2015 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering naar een gemiddeld aantal arbeidsuren per week van zestien en een dagloon van € 33,53. Bij de berekening van het dagloon is het Uwv uitgegaan van de inkomsten van appellante uit het dienstverband met [naam 1] in de referteperiode van 1 april 2014 tot en met 31 maart 2015. Bij besluit van 6 juli 2015 heeft Uwv het besluit van 23 juni 2015 herzien in die zin dat het gemiddelde aantal arbeidsuren per week wordt vastgesteld op 42.

1.3.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het in het besluit van 23 juni 2015 vastgestelde dagloon omdat haar inkomsten van [BV] ( [BV] ) in de periode van 26 februari 2014 tot en met 26 februari 2015 niet bij de berekening van het dagloon zijn betrokken. Appellante heeft loonstroken van [BV] en een arbeidsovereenkomst tussen appellante en [BV] van 26 februari 2014 overgelegd.

1.4.

Hangende de bezwaarprocedure is na een interne melding van een medewerker van de afdeling WW bij het Uwv een vermoeden gerezen dat sprake is van een gefingeerd dienstverband tussen appellante en [BV] en heeft een onderzoek plaatsgevonden. De resultaten van het onderzoek naar de verzekeringsplicht van appellante en een mogelijk gefingeerd dienstverband zijn neergelegd in een rapport [rapport] van 23 november 2015. In dit rapport is vermeld dat het dienstverband tussen appellante en [BV] niet bekend is in de polisadministratie en is geconcludeerd dat niet is komen vast te staan of appellante twee à drie maanden, of één jaar werkzaam is geweest bij [BV] .

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 16 december 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 juni 2015 ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd, waarbij het Uwv het gemiddeld aantal arbeidsuren per week weer heeft vastgesteld op 16 in plaats van 42. Het Uwv heeft daarbij overwogen dat het gestelde dienstverband met [BV] niet bekend is in de polisadministratie en heeft verwezen naar de resultaten van het handhavingsonderzoek in het rapport [rapport] , op grond waarvan volgens het Uwv niet is komen vast te staan dat appellante heeft gewerkt voor [BV] en dat zij loon heeft ontvangen. Appellante heeft niet aannemelijk kunnen maken dat zij in de periode van 26 februari 2014 tot en met 26 februari 2015 werkzaam is geweest bij [BV] . Uitgaande van de gegevens in de polisadministratie is het dagloon uitsluitend vastgesteld op de gegevens van het dienstverband bij [naam 1] .

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe verwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de periode van 24 februari 2014 tot en met 26 februari 2015 tenminste 24 uur per week bij [BV] werkzaam is geweest en dat zij voor die werkzaamheden een salaris van

€ 1.000,- netto exclusief 8% vakantietoeslag per vier weken heeft ontvangen. De gestelde werkzaamheden bij [BV] blijken niet uit de polisadministratie. [naam 2] , directeur van [BV] , heeft in het kader van het handhavingsonderzoek verklaard dat appellante voor de duur van in totaal twee of drie maanden als administratief medewerkster bij [BV] werkzaam is geweest en dat hij haar hiervoor € 1.000,- per maand betaalde. De arbeidsovereenkomst van 26 april 2014 zou volgens [naam 2] vals zijn, de datum van indiensttreding zou daarop verkeerd zijn ingevuld en de handtekening onder de arbeidsovereenkomst zou niet van hem zijn. Gelet op deze verklaring is bij het Uwv gerede twijfel ontstaan over de omvang en duur van de werkzaamheden van appellante bij [BV] . De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante deze twijfel niet heeft weggenomen met de door haar overgelegde stukken. De loonstroken en kwitanties heeft appellante, zoals zij heeft verklaard, zelf opgesteld en kunnen daarom niet als objectief verifieerbare bewijsstukken worden aangemerkt. Daarnaast kan uit de verklaringen van de getuigen [naam 3] en [naam 4] en e-mailberichten niet worden afgeleid of appellante gedurende de gehele periode heeft gewerkt, hoeveel uren zij in die periode daadwerkelijk heeft gewerkt en hoeveel salaris zij hiervoor van [BV] heeft ontvangen. Dit kan volgens de rechtbank evenmin worden afgeleid uit de verklaring die [naam 1] op 8 oktober 2015 in het kader van het handhavingsonderzoek heeft afgelegd. Dat [naam 2] in zijn in beroep overgelegde verklaring van 16 januari 2016 terugkomt van zijn eerdere verklaring kan appellante niet baten. Niet valt in te zien waarom aan de tweede verklaring van [naam 2] meer gewicht moet worden toegekend dan aan zijn eerste verklaring, die hij tegenover de medewerkers van de afdeling Handhaving van het Uwv heeft afgelegd en die hij heeft ondertekend. Dit geldt te meer nu [naam 2] ter zitting over de omvang en duur van de betreffende arbeidsovereenkomst een verklaring heeft afgelegd die niet overeenkomt met zijn eerdere twee verklaringen. Op de zitting heeft [naam 2] immers verklaard dat appellante gedurende een jaar bij [BV] werkzaam is geweest, waarvan een paar maanden voltijds. Omdat onduidelijk is wat de duur en omvang van de werkzaamheden van appellante bij [BV] is geweest en welk salaris zij hiervoor heeft ontvangen, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank deze werkzaamheden terecht niet bij de berekening van het dagloon betrokken. Het Uwv heeft deze gegevens ook niet schattenderwijs kunnen vaststellen.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat de door haar verrichte werkzaamheden bij [BV] blijken uit de door haar overgelegde stukken. Omdat de werkzaamheden bij [BV] niet blijken uit de polisadministratie had het Uwv op grond van artikel 3 van de Beleidsregels UWV gebruik polisgegevens (Stcrt. 2009, 11028) bij het vaststellen van het dagloon moeten uitgaan van deze stukken. Omdat de rechtbank geen waarde heeft gehecht aan deze stukken lag het op weg van de rechtbank te benoemen welke stukken zij wel nodig acht. Bij onduidelijkheid over de omvang en duur van de werkzaamheden behoorde de rechtbank hiertoe nader onderzoek te gelasten dan wel appellante in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te brengen. Appellante is van mening dat geen sprake is geweest van een eerlijk proces. Appellante heeft er tevens op gewezen dat de Belastingdienst haar aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het betreffende jaar heeft geaccepteerd. De aanslag is volgens appellante vastgesteld op grond van haar inkomen bij [BV] . Dat de werkzaamheden niet waren opgenomen in de polisadministratie is gekomen doordat de werkgever [BV] niet aan zijn administratieve verplichtingen heeft voldaan.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Daarbij heeft het Uwv benadrukt dat niet is komen vast te staan dat appellante in de referteperiode feitelijk heeft gewerkt bij [BV] .

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de relevante wet- en regelgeving en de uitleg daarvan wordt verwezen naar de onderdelen 3.1 en 3.2 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat zij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd en geeft geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank. De gronden die in beroep zijn aangevoerd zijn door de rechtbank, in de onderdelen 4.2 tot en met 4.6 van de aangevallen uitspraak en zoals verkort weergegeven onder 2 van deze uitspraak, gemotiveerd besproken. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde motivering wordt geheel onderschreven. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd.

4.3.

De stelling van appellante dat de rechtbank in strijd heeft gehandeld met beginsel van een eerlijk proces, wordt verworpen. Het is niet aan de rechtbank om te bepalen welke stukken appellante zou moeten indienen. Omdat sprake is van een aanvraagsituatie ligt het primair op de weg van appellante om aan de hand van voldoende eenduidige en concrete gegevens aannemelijk te maken dat zij in de referteperiode heeft gewerkt voor [BV] en daaruit bepaalde inkomsten heeft genoten, die betrokken zouden moeten worden in de vaststelling van het dagloon. Appellante is daarin niet geslaagd. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen zijn de gestelde werkzaamheden niet opgenomen in de polisadministratie en zijn de stukken en verklaringen die appellante heeft ingebracht onvoldoende duidelijk om de duur en de omvang van de werkzaamheden van appellante bij [BV] te kunnen vaststellen.

4.4.

De stelling van appellante dat de Belastingdienst haar aangifte inkomstenbelasting over het betreffende jaar, die mede gebaseerd is op inkomsten van [BV] , heeft geaccepteerd leidt niet leidt tot een ander oordeel. Appellante heeft deze stelling niet onderbouwd met stukken van de Belastingdienst, noch heeft zij vermeld op welke periode de gestelde aangifte inkomstenbelasting betrekking heeft.

4.5.

Van schending van een goede procesorde is evenmin sprake, nu niet is gebleken dat appellante is geschaad in haar belangen. De rechtbank is gemotiveerd op de gronden in beroep ingegaan en heeft de door appellante overgelegde stukken bij de beoordeling betrokken. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is.

5. Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2019.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) D.S. Barthel

VC