Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2841

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2019
Datum publicatie
03-09-2019
Zaaknummer
15/7604 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv is volledig tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante wat betreft haar aanspraken op grond van de Wet WIA. Proceskosten. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 7604 WIA, 16/3179 WIA, 18/6047 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a, 8:88, 8:91 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 19 oktober 2015, 14/7776 (aangevallen uitspraak 1) en van 29 maart 2016, 15/4435 (aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) (Staat)

Datum uitspraak: 26 augustus 2019

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. O. Labordus. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

Het onderzoek is na de zitting heropend. De Raad heeft J. Blank-Contant, psychiater, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 30 mei 2018 een rapport uitgebracht.

Appellante heeft een zienswijze op dit rapport ingebracht. Het Uwv heeft een gewijzigde beslissing op bezwaar van 18 oktober 2018 ingebracht.

Appellante heeft een reactie op deze gewijzigde beslissing op bezwaar ingebracht.

Het Uwv heeft een gewijzigde beslissing op bezwaar van 21 december 2018 ingebracht.

Appellante heeft vervolgens bij brieven van 8 februari 2019, 12 februari 2019 en 4 maart 2019 de hoger beroepen ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten, wettelijke rente en van schade wegens schending van de redelijke termijn. Naar aanleiding van dit laatste verzoek van appellante heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

Het Uwv heeft een reactie ingezonden.

Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

1.2.

Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Indien het verzoek wordt gedaan in hoger beroep beslist de hogerberoepsrechter op het verzoek, tenzij hij het verzoek naar de rechtbank verwijst omdat het naar zijn oordeel behandeling door de rechtbank behoeft (artikel 8:91, derde lid, van de Awb).

2.1.

Het Uwv heeft met het besluit van 21 december 2018 appellante alsnog met ingang van
2 april 2014 een IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, omdat appellante met ingang van deze datum volledig en duurzaam arbeidsongeschikt wordt geacht. Hiermee is het Uwv volledig tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante wat betreft haar aanspraken op grond van de Wet WIA.

2.2.

Appellante heeft bij haar verzoek om het Uwv te veroordelen in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbestand verzocht ook de kosten te vergoeden die zijn gemaakt in verband met de door haar in de fase van beroep ingeschakelde deskundige, verzekeringsarts/medisch adviseur J.M. Fokke. Deze kosten bedragen € 2.445,71 voor een door de medisch adviseur opgesteld rapport van 30 oktober 2017. Uit de ingediende factuur blijkt dat Fokke een uurtarief van € 165,-, exclusief btw heeft gehanteerd.

2.3.

Het Uwv heeft te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen een veroordeling in de proceskosten van appellante en kan zich vinden in het aantal door de deskundige bestede uren, maar heeft de Raad verzocht rekening te houden met het maximumtarief. Het Uwv heeft verder te kennen gegeven dat de wettelijke rente inmiddels is vergoed.

3.1.

Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. De kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep worden begroot op € 1.792,-. Wat betreft de gevraagde vergoeding voor de gemaakte kosten voor het rapport van de medisch adviseur wordt overwogen dat uitgangspunt van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dat een forfaitaire vergoeding wordt toegekend. In artikel 2, derde lid, van het Bpb is neergelegd dat hiervan in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken. In het geval van appellante is niet gebleken van bijzondere omstandigheden. Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb en artikel 8 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 wordt uitgegaan van een uurtarief van € 121,95 en 21% btw. Uit de door appellante overgelegde nota blijkt dat de werkzaamheden van de medisch adviseur 12,25 uur in beslag hebben genomen. Conform artikel 9 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 wordt dit afgerond naar 12,5 uur. Het bedrag dat voor vergoeding in aanmerking komt wordt daarmee € 1.844,49. De totale vergoeding komt uit op een bedrag van € 3.636,49.

4.1.

Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De redelijke termijn is voor een procedure in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (vergelijk de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

4.2.

Of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellante gedurende de gehele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellante.

4.3.

Voor het voorliggende geval geldt dat vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 29 april 2014 tot aan de dag van deze uitspraak meer dan vijf jaar is verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is met zestien maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.500,-. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv vanaf de ontvangst van het bezwaar tot het eerste bestreden besluit afgerond zeven maanden geduurd. De behandeling in de rechterlijke fase heeft vanaf de ontvangst door de rechtbank op 24 december 2014 van het beroepschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak vier jaar en acht maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase met acht maanden is overschreden. De redelijke termijn is dus zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase geschonden. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252). Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 93,75 (1/16 deel van € 1.500,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van
€ 1.406,25 (15/16 deel van € 1.500,-).

4.4.

De Raad ziet geen aanleiding om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente nu niet is betwist dat deze is uitbetaald.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.792,-;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.406,25;

  • -

    veroordeelt het Uwv tot betaling aan betrokkene van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 93,75;

  • -

    wijst het verzoek om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2019.

(getekend) D. Hardonk-Prins

(getekend) R.L. Rijnen

IvR