Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:284

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
05-02-2019
Zaaknummer
16-5188 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wajong ten onrechte geweigerd. Geen deugdelijke motivering. Onvoldoende gemotiveerd dat appellant op de datum in geding over mogelijkheden tot arbeidsparticipatie beschikte. Ook het subsidiair door het Uwv ingenomen standpunt dat het arbeidsvermogen van appellant op de datum in geding niet duurzaam ontbrak is onvoldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5188 WAJONG

Datum uitspraak: 30 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 29 juni 2016, 15/3679 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.J.E. Schoofs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant en het Uwv hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2018. Namens appellant is

mr. A.J.E. Verschuren, kantoorgenoot van mr. Schoofs, verschenen. Verder was aanwezig

[naam moeder] , de moeder van appellant. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J.M.H. Lagerwaard.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren op [geboortedatum] 1997, heeft met een op 15 januari 2015 door het Uwv ontvangen formulier een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van hoofdstuk 1A van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is melding gemaakt van gedragsproblematiek, dyslexie en een leerachterstand. Bij deze aanvraag heeft appellant een rapport overgelegd van de [instantie] van 17 oktober 2014, opgesteld door [naam] . Op verzoek van verzekeringsarts Lemmens van het Uwv heeft D. Corstens, psychiater, appellant onderzocht en zijn bevindingen neergelegd in een psychiatrische rapportage van 13 maart 2015. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van

20 april 2015 de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant arbeidsvermogen heeft.

1.2.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 april 2015. Hierbij heeft hij een rapport van R. Smit, psychotherapeut, van 17 september 2015 en een afsprakenoverzicht overgelegd. Bij besluit van 4 november 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daaraan liggen ten grondslag een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 oktober 2015 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 3 november 2015. In deze rapporten is primair geconcludeerd dat appellant beschikt over arbeidsvermogen en subsidiair dat, zou appellant niet beschikken over arbeidsvermogen, dit niet duurzaam is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig is geweest en dat deugdelijk is gemotiveerd dat appellant met inachtneming van de vastgestelde medische beperkingen en met goede begeleiding over arbeidsvermogen beschikt.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank en het Uwv een te beperkte uitleg van het begrip arbeidsvermogen hebben gegeven. Appellant heeft meerdere malen van school moeten veranderen en stages zijn niet tot een goed einde gekomen vanwege zijn gedrags- en ontwikkelingsproblemen waardoor hij niet in staat was om instructies op te volgen en afspraken goed na te komen. Aldus is gebleken dat appellant niet in staat is om een taak in een arbeidsorganisatie te verrichten en dat hij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij hooguit incidenteel, maar niet in het algemeen één uur aaneengesloten zonder een essentiële onderbreking een taak kan uitvoeren. Door de combinatie van medische factoren en het beperkt lerend vermogen van appellant, is voorts een duidelijke verbetering in zijn mogelijkheden niet te verwachten. Ter onderbouwing van zijn beroepsgronden heeft appellant een rapport van De Landelijke Expertisebalie (LEB) van 5 januari 2018 overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor het wettelijk kader en het toetsingskader dat het Uwv hanteert voor de beoordeling van de vraag of een verzekerde beschikt over mogelijkheden tot arbeidsparticipatie wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018 en

5 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3881. In deze zaak wordt volstaan met vermelding van het volgende.

4.1.1.

Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

4.2.

In geding is de vraag of de rechtbank terecht en op goede gronden het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond heeft verklaard. Daartoe moet worden beoordeeld of appellant op [geboortedatum] 2015, de dag waarop hij achttien werd (datum in geding), al dan niet jonggehandicapte was in de zin van hoofdstuk 1A van de Wajong.

4.3.1.

De aanvraag van appellant is voor een verzekeringsarts van het Uwv aanleiding geweest om een extern psychiatrisch onderzoek te laten verrichten. De bevindingen van dit onderzoek, uitgevoerd door psychiater Corstens en arbeidspsycholoog Claes, zijn neergelegd in een rapport van 13 maart 2015. Corstens heeft geconcludeerd dat bij appellant sprake is van een autismespectrumstoornis (ASS) met verstandelijke beperking en met een taalstoornis. Over de ASS is vermeld dat bij appellant in zeer uitgesproken mate sprake is van persisterende deficiënties in de sociale communicatie en sociale interactie. In sociale situaties is voorspelbaarheid alsmede overzichtelijkheid en structuur erg belangrijk. Verder is in relatie tot de ASS vastgesteld dat al van heel vroeg af aan sprake is van beperkte interesses. De ernst van de stoornis is ingeschat op niveau 2, waarbij substantiële ondersteuning noodzakelijk is. Appellant kan zonder zijn moeder nauwelijks functioneren. Daarnaast is een dissociatieve stoornis NAO gediagnosticeerd, omdat appellant stemmen hoort en deze stemmen zijn gedrag kunnen beïnvloeden en bepalen wanneer hij sociaal-emotioneel onder druk komt te staan. Appellant is extra kwetsbaar in sociale situaties en er zou een verhoogd risico kunnen bestaan voor het ontwikkelen van een psychose.

4.3.2.

Onvoldoende navolgbaar is hoe de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv zich verhouden tot de bevindingen van Corstens over de bij appellant in zeer uitgesproken mate aanwezige persisterende deficiënties in de sociale communicatie en sociale interactie, de bij appellant gediagnosticeerde dissociatieve stoornis NAO en de vaststelling van Corstens dat appellant zonder zijn moeder nauwelijks kan functioneren.

4.3.3.

Verder is de stelling van de arbeidsdeskundigen dat een stage bij een autobedrijf goed is verlopen niet in overeenstemming met de verklaring van de eigenaar van het betreffende bedrijf. Daarnaast zijn de conclusies van het Uwv over de basale werknemersverklaringen van appellant niet op één lijn met de verklaringen van de stagedocent, welke verklaringen een ander en soms tegengesteld beeld laten zien dan het beeld dat de arbeidsdeskundigen van het Uwv hebben geschetst.

4.3.4.

Uit 4.3.2 en 4.3.3 volgt dat door het Uwv onvoldoende is gemotiveerd dat appellant op de datum in geding over mogelijkheden tot arbeidsparticipatie beschikte.

4.4.1.

Ook het subsidiair door het Uwv ingenomen standpunt dat het arbeidsvermogen van appellant op de datum in geding niet duurzaam ontbrak is onvoldoende gemotiveerd.

4.4.2.

De verzekeringsarts heeft de verwachting uitgesproken dat de medische situatie niet wezenlijk zal veranderen. Daarbij heeft hij vermeld dat ASS niet toegankelijk is voor therapie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gesteld dat appellant inmiddels onder behandeling is bij een psychotherapeut en dat voor appellant door deze behandeling en verdere persoonlijke groei nog verbetering van de mogelijkheden is te verwachten. In beroep is hieraan toegevoegd dat appellant via psycho-educatie verder inzicht kan krijgen in de aanwezige psychische problematiek en de hieruit voortkomende problemen.

4.4.3.

Uit de overgelegde informatie van de psychotherapeut blijkt dat de afspraken die met appellant hebben plaatsgevonden vooral een diagnostisch karakter hadden. Van een ingezette behandeling was geen sprake. Verder is niet duidelijk op appellant toegespitst onderbouwd welke invloed psycho-educatie kan hebben op de ontwikkeling van zijn arbeidsvermogen.

4.5.

Uit 4.3.2 tot en met 4.4.3 volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering.

4.6.1.

Hier staat tegenover dat de bevindingen van Corstens in belangrijke mate overeenkomen met de conclusies uit het rapport 5 januari 2018 van de LEB en de aanvulling daarop van 12 maart 2018, die in hoger beroep op verzoek van appellant zijn opgesteld. Het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het rapport is uitgevoerd door een bedrijfsarts, een arts en een arbeidsdeskundige. Er heeft dossierstudie plaatsgevonden, waarbij de informatie van het Uwv en van de psychiatrische expertise alsmede informatie van de school werd bestudeerd, er is gesproken met de moeder van appellant en er heeft een gesprek plaatsgevonden met een stagedocent van appellant. Het rapport is gecontrasigneerd door een bedrijfsarts. Het rapport van de LEB is aldus na een zorgvuldig onderzoek tot stand gekomen. De conclusies in het rapport en de aanvulling daarop zijn inzichtelijk gemotiveerd.

4.6.2.

De bedrijfsarts van de LEB heeft beschreven dat bij appellant sprake is van ASS, een beperkt leervermogen, astma, dyslexie en een dissociatieve stoornis. De ASS en het beperkte leervermogen maken dat appellant vanaf zijn geboorte beperkt is en dat hij voortdurend begeleiding, verzorging en soms ook verpleging nodig heeft. In praktijksituaties heeft appellant laten zien dat hij niet in staat is om een taak uit te voeren in een arbeidsorganisatie en dat basale werknemersvaardigheden ontbreken.

4.6.3.

De arbeidsdeskundige van de LEB heeft weergegeven dat de ervaringen van de praktijkschool een belangrijke rol spelen bij de beoordeling van het arbeidsvermogen, omdat gedurende langere tijd zicht is geweest op het functioneren van appellant op school en tijdens stage. Het gesprek met de stagedocent heeft duidelijk gemaakt dat de problematiek van appellant zo fors bleek dat alle door de school gevonden potentiële stage-werkgevers niet bereid waren om appellant een stageplek aan te bieden. De door appellant gevolgde stages zijn alle door de ouders van appellant gevonden. In elke werksituatie was sprake van vergelijkbare, nader omschreven problematiek. De stagedocent heeft een zeer zwakke taakgerichtheid beschreven, waarbij appellant grote moeite heeft om zich aan afspraken te houden en het nog moeilijker is om hem daarop aan te spreken, zelfs door zeer vertrouwde mensen zoals zijn ouders. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat appellant niet zelfstandig kan functioneren in werk en dat hij met zeer grote regelmaat moet worden aangesproken op zijn functioneren. Met name omdat appellant niet in staat is om ten minste een uur aaneengesloten (zonder wezenlijke onderbreking van het productieproces) te kunnen werken, wordt volgens de arbeidsdeskundige niet voldaan aan alle vereisten inzake het hebben van arbeidsvermogen.

4.6.4.

Aanvullend heeft de arts van de LEB op 12 maart 2018 onder meer beschreven dat zich bij appellant een combinatie van diverse beelden voordoet, leidend tot forse beperkingen in het algemeen. Daarbij is ook sprake van een zeer beperkte autonomie, zoals blijkt uit de uitgebreide ondersteuning vanuit een persoonsgebonden budget. Het rapport van Corstens geeft volgens de arts het beeld van een zeer kwetsbare jongeman met forse problemen in de sociale interactie en communicatie, waarbij substantiële ondersteuning nodig is op de twee gebieden in sociale interactie en taalgebied waarbij de inflexibiliteit merkbaar blijft en interfereert.

4.6.5.

Uit de rapporten van de LEB volgt dat appellant niet over arbeidsvermogen beschikt, omdat hij in ieder geval niet beschikt over basale werknemersvaardigheden en hij niet in staat is om een uur aaneengesloten te werken.

4.6.6.

Uit de bevindingen van de LEB volgt verder dat bij appellant, gelet op de aanwezigheid van ASS in de mate zoals door Corstens gerapporteerd, in combinatie met het beperkte leervermogen van appellant, de dyslexie en de dissociatieve stoornis, een duidelijke verbetering niet meer is te verwachten.

4.6.7.

Wat het Uwv in reactie op de conclusies van de LEB naar voren heeft gebracht, heeft geen aanleiding gegeven om aan die conclusies te twijfelen, nu het Uwv met name heeft volhard in de in bezwaar en beroep ingenomen verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige standpunten.

4.6.8.

De gevolgtrekkingen die het Uwv voorts heeft verbonden aan de vaststellingen dat appellant een computerspel kan doen en lid is geweest van een voetbalclub bieden in het licht van de beschikbare gegevens onvoldoende onderbouwing voor de vaststelling dat appellant op de datum in geding over arbeidsvermogen beschikte. Daarbij wordt betrokken, dat Corstens heeft vermeld dat bij appellant sprake is van een beperkte interesse met repetitief gedrag, zich uitend in excessief gamen, welk gedrag niet is gebaseerd op een keuze, hetgeen door de arts van de LEB is meegewogen.

4.6.9.

Dat, zoals in hoger beroep is gesteld, voor de beperkingen als gevolg van ASS en de dissociatieve stoornis verbetering is te verwachten en enig herstel niet is uitgesloten, is niet nader onderbouwd. De uitgesproken verwachting van verdere groei en uitrijping van de persoonlijkheid en inzicht verwerven in beperkingen is te algemeen en niet op de situatie van appellant toegesneden.

5.1.

Geconcludeerd wordt dat appellant op [geboortedatum] 2015 duurzaam niet over mogelijkheden tot arbeidsparticipatie beschikte en daarom recht had op een Wajong-uitkering. De rechtbank heeft het beroep van appellant ten onrechte ongegrond verklaard.

5.2.

Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep van appellant moet gegrond worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd.

5.3.

Gelet op de overwegingen 4.6.1 tot en met 4.6.9 wordt aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 20 april 2015 te herroepen en te bepalen dat appellant vanaf [geboortedatum] 2015 recht heeft op een Wajong-uitkering.

6. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in bezwaar, € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 4 november 2015;

- herroept het besluit van 20 april 2015 en bepaalt dat appellant in aanmerking komt voor een

arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wajong 2015 met ingang van

[geboortedatum] 2015 en dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.072, -;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en R.E. Bakker en

D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2019.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) R.P.W. Jongbloed

md