Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2834

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2019
Datum publicatie
03-09-2019
Zaaknummer
17/1649 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij nader besluit heeft het Uwv het eerdere besluit ingetrokken en meegedeeld dat daarmee het besluit van 12 februari 2016 rechtskracht herkrijgt. Het Uwv zich daarin terecht op het standpunt gesteld dat op een inzichtelijke en overtuigende wijze is onderbouwd dat de aan betrokkene aangeboden arbeid passend is. Daarom berust de in het besluit van 12 februari 2016 met ingang van 1 april 2015 vastgestelde korting wegens (fictief) inkomen op juiste gronden. De rechtbank is buiten de omvang van het geding getreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/1649 ZW, 17/2319 ZW, 17/4178 ZW en 17/5168 ZW

Datum uitspraak: 28 augustus 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 januari 2017, 16/953 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] B.V. te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[betrokkene] te [woonplaats ] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H. Feiken, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft op 15 februari 2017 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het Uwv heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 6 juni 2017 heeft het Uwv het besluit van 15 februari 2017 ingetrokken.

Appellante en betrokkene hebben een zienswijze ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2019. Appellante heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Betrokkene is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was op basis van een arbeidsovereenkomst sinds 17 november 2008 werkzaam als medewerker algemeen schoonmaakonderhoud in dienst van appellante. Op 14 april 2014 heeft zij zich ziek gemeld. Bij beschikking van 20 maart 2015 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst van betrokkene en appellante met ingang van 1 april 2015 ontbonden omdat betrokkene niet heeft voldaan aan haar verplichting om mee te werken aan re-integratie.

1.2.

Appellante is eigenrisicodrager in de zin van hoofdstuk IIIA van de Ziektewet (ZW). Op 9 april 2015 heeft appellante het Uwv met een formulier “Verzoek om een beslissing over de Ziektewetuitkering” verzocht een besluit af te geven inhoudende de oplegging aan betrokkene van de maatregel van een blijvende, gehele weigering van het ziekengeld, omdat betrokkene een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 45 van de ZW heeft gepleegd door niet mee te werken aan haar re-integratie, en zij hierdoor geen aanspraak meer heeft op loondoorbetaling.

1.3.

Bij besluit van 19 juni 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat betrokkene onnodig een beroep op de ZW doet en daarom de werkgever geen ziekengeld meer uitbetaalt.

1.4.

Het tegen het besluit van 19 juni 2015 door betrokkene gemaakte bezwaar is door het Uwv bij beslissing op bezwaar van 12 februari 2016 (bestreden besluit) gegrond verklaard in die zin dat per 1 april 2015 op het ziekengeld een bedrag van € 16,70 wordt gekort omdat betrokkene dit bedrag met het door de werkgever aangeboden passende werk had kunnen verdienen.

2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en aangevoerd dat sprake is van een benadelingshandeling op grond waarvan artikel 45 van de ZW had moeten worden toegepast. Het Uwv had het besluit van 19 juni 2015 daarom moeten handhaven.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Volgens de rechtbank kan in het midden worden gelaten of het Uwv zich al dan niet terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 45 van de ZW geen grondslag kan bieden voor het opleggen van een maatregel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv onvoldoende gemotiveerd dat en waarom betrokkene aanspraak kan maken op ziekengeld.

4.1.

Het Uwv heeft naar aanleiding van de aangevallen uitspraak bij besluit van 15 februari 2017 een nieuwe beslissing op het bezwaar genomen waarbij het bezwaar van betrokkene wederom gegrond is verklaard. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat het niet mogelijk is om betrokkene per 1 april 2015 een maatregel op te leggen als bedoeld in artikel 45 van de ZW, omdat met de betaling van het ziekengeld door appellante op en na 1 april 2015 de in artikel 45 genoemde fondsen niet benadeeld kunnen worden. Appellante heeft zich ook met dit nieuwe besluit niet kunnen verenigen.

4.2.

Appellante heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak (kort gezegd) aangevoerd dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden, omdat tussen partijen niet in geschil was dat betrokkene recht had op ziekengeld vanaf het einde van haar dienstbetrekking. De rechtbank is daarbij ten onrechte de discussie over de benadelingshandeling uit de weg gegaan.

5.1.

Het Uwv heeft in incidenteel hoger beroep aangevoerd dat niet in geschil is dat betrokkene in beginsel recht heeft op ziekengeld vanaf het moment dat zij in verband met het eindigen van haar dienstbetrekking per 1 april 2015 niet langer recht had op loondoorbetaling. Dat bij het bestreden besluit een korting wegens (fictief) inkomen is toegepast doet daaraan niet af. Daarom kan het Uwv zich niet verenigen met de overweging van de rechtbank dat onvoldoende gemotiveerd zou zijn dat en waarom betrokkene aanspraak kan maken op ziekengeld.

5.2.

Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 6 juni 2017 het besluit van 15 februari 2017 ingetrokken en meegedeeld dat daarmee het besluit van 12 februari 2016 rechtskracht herkrijgt. Onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 december 2015 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 5 januari 2016 heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat in die rapporten op een inzichtelijke en overtuigende wijze is onderbouwd dat de aan betrokkene aangeboden arbeid passend is. Daarom berust de in het besluit van 12 februari 2016 met ingang van 1 april 2015 vastgestelde korting wegens (fictief) inkomen volgens het Uwv op juiste gronden.

5.3.1.

Betrokkene heeft tegen het besluit van 6 juni 2017 aangevoerd dat zij in november en december 2014 in het geheel niet in staat was om werkzaamheden uit te voeren. Dat het in het kader van de re-integratie aangeboden werk passend was, wordt door betrokkene betwist.

5.3.2.

Appellante heeft zich in hoger beroep alsnog kunnen verenigen met het standpunt van het Uwv dat er in de situatie van betrokkene geen sprake is van een benadelingshandeling en een inkomstenkorting op grond van artikel 30, tweede lid, van de ZW aan de orde is. Tegen het daartoe strekkende besluit van 6 juni 2017 heeft appellante aangevoerd dat door het Uwv ten onrechte is uitgegaan van de loonwaarde van de in het kader van de re-integratie aangeboden arbeid. Het Uwv had volgens appellante bij de korting moeten uitgaan van het loon dat betrokkene had kunnen ontvangen als zij had meegewerkt aan haar re-integratie, zijnde de alsdan op appellante rustende loondoorbetalingsverplichting van 70% van het loon van de bedongen arbeid.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het hoger beroep van appellante en het incidenteel hoger beroep van het Uwv

6.1.

De rechtbank heeft ambtshalve geoordeeld dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd dat en waarom betrokkene aanspraak kan maken op ziekengeld. Nu tussen partijen niet in geschil was dat betrokkene als gevolg van het eindigen van haar dienstverband per 1 april 2015 recht had op ziekengeld, en partijen slechts verdeeld waren over de vraag of per die datum een maatregel diende te worden opgelegd in verband met een benadelingshandeling, is de rechtbank in strijd met het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten de omvang van het geding getreden. De aangevallen uitspraak kan reeds op die grond niet in stand blijven. Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep slagen en de aangevallen uitspraak moet voor zover aangevochten worden vernietigd.

Het beroep van appellante tegen het besluit van 15 februari 2017

6.2.

Met de beslissing op bezwaar van 6 juni 2017 is het besluit van 15 februari 2017 door het Uwv ingetrokken. Het door appellante tegen het besluit van 15 februari 2017 ingestelde beroep zal daarom wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het beroep van betrokkene tegen het besluit van 6 juni 2017

6.3.

Met het besluit van 6 juni 2017 heeft het Uwv bepaald dat het besluit van 12 februari 2016 rechtskracht herkrijgt. Dit betekent dat aan betrokkene per 1 april 2015 ziekengeld is toegekend met inachtneming van een korting van fictieve inkomsten van € 16,70 per dag, dit is het bedrag dat betrokkene op 1 april 2015 met de door appellante in het kader van re‑integratie aangeboden arbeid had kunnen verdienen. Gelet op de door betrokkene tegen de toegepaste korting aangevoerde gronden ligt allereerst de vraag voor of deze aan betrokkene aangeboden arbeid als passend is aan te merken. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is voldoende gemotiveerd dat de aan betrokkene aangeboden arbeid (zittende aangepaste arbeid gedurende 1,5 uur per dag) passend was. Betrokkene heeft haar standpunt dat de aangeboden arbeid haar belastbaarheid overschrijdt in het geheel niet onderbouwd. Dit betekent dat het beroep van betrokkene tegen het besluit van 6 juni 2017 niet slaagt.

Het beroep van appellante tegen het besluit van 6 juni 2017

6.4.

Het standpunt van appellante, dat bij de korting van fictieve inkomsten op het ziekengeld moet worden uitgegaan van de loondoorbetalingsverplichting van 70% van het bedongen loon, zoals die zou hebben bestaan als de dienstbetrekking per 1 april 2015 niet zou zijn geëindigd, wordt niet gevolgd. Tekst en bedoeling van artikel 30, tweede lid, van de ZW stellen buiten twijfel dat voor de korting van inkomsten dient te worden aangesloten bij de loonwaarde van door de werkgever aangeboden, en door de werknemer vervolgens zonder deugdelijke grond geweigerde, passende arbeid. Nu de loonwaarde van de aangeboden passende arbeid, zoals die door het Uwv aan de korting per 1 april 2015 ten grondslag is gelegd, als zodanig door appellante niet wordt betwist, betekent dit dat het beroep van appellante tegen het besluit van 6 juni 2017 niet slaagt.

7. Omdat het Uwv het besluit van 15 februari 2017 in hoger beroep niet langer heeft gehandhaafd, is er aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante die worden begroot op € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep van appellante tegen het besluit van 15 februari 2017 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van appellante tegen het besluit van 6 juni 2017 ongegrond;

- verklaart het beroep van betrokkene tegen het besluit van 6 juni 2017 ongegrond;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.024,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 501,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en J.P.M. Zeijen en D. Hardonk‑Prins als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2019.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) J.R. Trox

VC