Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2804

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2019
Datum publicatie
27-08-2019
Zaaknummer
18/3785 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij het nader besluit heeft de staatssecretaris de aanvraag van appellant om verlening van ontslag met toekenning van een stimuleringspremie terecht afgewezen. De Raad komt tot de conclusie dat er onvoldoende basis was voor toewijzing van de aanvraag. Dit betekent dat het betoog van appellant dat de rechtbank gehouden was om niet slechts het bestreden besluit te vernietigen, maar ook het primaire besluit te herroepen en zelf in de zaak te voorzien door de aanvraag toe te wijzen, niet slaagt. In aanmerking genomen dat de staatssecretaris vanuit het oogpunt van een goede uitvoering van de uitstroomregeling redelijkerwijs voor een bepaalde datum een ontslagverzoek zonder enig voorbehoud mocht verlangen, heeft de staatssecretaris bij het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nader besluit de aanvraag van appellant op goede gronden afgewezen. Het beroep van appellant tegen het nader besluit slaagt dan ook niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/433
TAR 2019/145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

29 mei 2018, 17/4799 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

Datum uitspraak: 22 augustus 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.W.L. van de Put hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend en heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de staatssecretaris op 10 juli 2018 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen. Namens appellant heeft

mr. Van de Put hierop een reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 18/3384 AW, 18/3879 AW en

18/6074 AW plaatsgevonden op 11 juli 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. Van de Put. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.A. Raydt. In de gevoegde zaken wordt heden apart uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Op 20 mei 2015 is de Investeringsagenda Belastingdienst gepresenteerd aan de
Tweede Kamer, een programma dat gericht is op herinrichting van de Belastingdienst en dat tot gevolg heeft dat naar verwachting ongeveer 5.000 functies komen te vervallen. Op
23 november 2015 heeft de Directeur-Generaal van de Belastingdienst in het Georganiseerd Overleg Belastingdienst (GOBD) een voorstel gedaan voor vrijwillige mobiliteit en een uitwerking voorgesteld van het rijksbrede Van Werk Naar Werk (VWNW)-beleid. In verband met de uitwerking van dat programma zijn vanaf 24 november 2015 op het Intranet van de Belastingdienst berichten geplaatst waarin de medewerkers worden geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot in te voeren stimuleringsmaatregelen ten behoeve van de vrijwillige uitstroom van medewerkers. Op 14 januari 2016 zijn in het GOBD de laatste afspraken over die stimuleringsmaatregelen gemaakt. Deze afspraken zijn opgenomen in hoofdstuk 1, onderdeel 7B (paragraaf 1.7B), van de Personele Uitvoeringsbepalingen Belastingdienst (PUB). Bepaald is dat de FIOD en de Douane buiten de reikwijdte van deze paragraaf vallen. In paragraaf 1.7B van de PUB is onder meer opgenomen dat medewerkers van de Belastingdienst afspraken kunnen maken over vrijwillige uitstroom onder toekenning van een stimuleringspremie, uitgesplitst in de varianten A en B. Medewerkers konden zich vanaf 1 februari 2016 aanmelden voor vrijwillige uitstroom met gebruikmaking van de varianten A of B. De termijn voor het doen van een aanvraag is op grond van een op

28 juni 2016 in het GOBD gemaakte afspraak gesloten op 1 september 2016.

1.2.

Op 25 mei 2016 heeft appellant een oriënterend gesprek gevoerd over gebruikmaking van de onder 1.1 vermelde variant B. Op 23 augustus 2016 heeft de behandelend medewerker appellant verzocht om binnen zes weken per e-mail te kennen te geven voor welke ontslagvariant hij kiest. Bij e-mailbericht van 29 augustus 2016 heeft appellant meegedeeld dat hem de gevolgen van variant B nog niet duidelijk zijn en heeft hij verzocht om pensioenoverzichten te verstrekken. Op 12 oktober 2016 heeft de staatssecretaris, in verband met een lopende juridische procedure, tot 26 oktober 2016 uitstel verleend voor het tekenen van een opgestelde vaststellingsovereenkomst. Deze termijn is nadien verlengd tot

8 november 2016.

1.3.

Bij brief van 17 november 2016 heeft de staatssecretaris appellant verzocht om binnen één week een definitieve keuze te maken en dat als binnen die termijn geen reactie wordt ontvangen, de aanvraag om ontslag met toekenning van een stimuleringspremie als vervallen wordt beschouwd. Daarbij is verwezen naar afspraken die zijn gemaakt met het GOBD over het project Arrangementen en voorzieningen VWNW. Bij e-mailbericht van 22 november 2016 heeft de staatssecretaris de termijn van een week verlengd tot 26 november 2016. Bij

e-mailbericht van 25 november 2016 heeft appellant verzocht om nader uitstel. Daarbij heeft hij uiteengezet dat hij in een procedure is verwikkeld over een overplaatsing. Verder heeft appellant te kennen gegeven dat de situatie hem erg aangrijpt en dat hij nu niet in staat is om een goede afweging te maken over het ontslag. Om de kans op ontslag met toekenning van een stimuleringspremie niet te verspelen, deelt hij mee onder protest gebruik te willen maken van de mogelijkheid tot ontslag onder toekenning van een stimuleringspremie. Daarbij heeft appellant zich het recht voorbehouden om, zodra er duidelijkheid is ten aanzien van zijn positie en toekomst, zijn keuze te herroepen. Bij e-mailbericht van 2 december 2016 heeft de stafmedewerker HRM aan appellant verzocht voor 7 december 2016 zijn definitieve keuze door te geven. Daarbij is vermeld dat als appellant niet reageert, ervan wordt uitgegaan dat appellant geen belangstelling heeft en dat zijn dossier dan wordt gesloten.

1.4.

Bij besluit van 13 december 2016 is de aanvraag van appellant om verlening van ontslag met toekenning van een stimuleringspremie als vervallen beschouwd, omdat appellant niet binnen de gestelde termijnen een definitieve keuze heeft gemaakt. Weliswaar heeft appellant op 25 november 2016 een tijdige reactie gegeven, maar hierbij is opnieuw om uitstel verzocht en is dus geen definitieve keuze gemaakt. Verder heeft de staatssecretaris meegedeeld dat appellant nu niet meer in aanmerking komt voor ontslagvariant B. Het bezwaar hiertegen heeft de staatssecretaris bij besluit van 31 mei 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is vermeld dat op 25 oktober 2016 in het GOBD de memo ‘Deadline ondertekening varianten A en B’ is besproken en dat deze memo kan worden geacht vanaf die datum te gelden. In de memo is vermeld dat de groep waaronder appellant viel, de groep die nog nadacht over het wel of niet gebruik willen maken van de desbetreffende varianten, nog een bedenktijd van één week zou krijgen. Bij niet tijdig maken van een keuze zou dan aan de betrokken ambtenaren worden meegedeeld dat hun aanvraag als vervallen zou worden verklaard. Appellant heeft niet binnen de gestelde termijn een definitieve keuze gemaakt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Verder heeft de rechtbank beslissingen gegeven over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten. De rechtbank heeft overwogen dat in dit geval sprake is van een aanvraag, nu appellant de staatssecretaris heeft verzocht een besluit te nemen. De Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorziet niet in het vervallen verklaren van een aanvraag. De Awb kent alleen de toe- of afwijzing van een aanvraag en het buiten behandeling laten van een aanvraag. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4178. Volgens de rechtbank is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd en daarmee in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het bepaalde in artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb hier niet van toepassing is. Appellant heeft voldoende duidelijk gemaakt dat hij ontslagvariant B wenst. Dat hij in zijn e-mailbericht van 25 november 2015 een voorbehoud heeft gemaakt, neemt niet weg dat de staatssecretaris aan de hand van die keuze de aanvraag kan toe- of afwijzen.

3.1.

In hoger beroep hebben partijen zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

3.2.

Bij het nader besluit heeft de staatssecretaris de aanvraag van appellant afgewezen. Het nader besluit wordt op grond van artikel 6:19 van de Awb bij de beoordeling door de Raad betrokken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Incidenteel hoger beroep staatssecretaris

4.1.1.

In artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan kan besluiten om de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking.

4.1.2.

De staatssecretaris heeft betoogd dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, Awb. Voor de beoordeling van een aanvraag is het nodig dat volkomen duidelijk is wat de aanvrager wil. Dat was hier niet het geval, zodat geen inhoudelijk besluit kon worden genomen. Om die reden heeft de staatssecretaris de aanvraag als vervallen beschouwd, waarmee is beoogd de aanvraag buiten behandeling te laten. Dit betoog slaagt niet. Uit de gedingstukken komt naar voren dat de staatssecretaris beschikte over alle gegevens en bescheiden om een besluit te nemen. Appellant wenste echter nog een slag om de arm te houden ten aanzien van zijn ontslagaanvraag, in verband met een lopende procedure over de overplaatsing. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb. Dit betekent dat de aanvraag slechts voor toewijzing dan wel voor afwijzing in aanmerking komt.

4.1.3.

Uit 4.1.2 volgt dat het incidenteel hoger beroep niet slaagt.

Hoger beroep van appellant

4.2.1.

Appellant heeft betoogd dat hij in beroep alsnog expliciet kenbaar heeft gemaakt gebruik te willen maken van de ontslagregeling. Dit betoog kan hem niet baten. Teneinde te kunnen beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden, heeft de rechtbank terecht acht geslagen op de bedoeling van appellant voorafgaande aan de door de staatssecretaris gestelde termijn voor indiening van de definitieve aanvraag. Uit de gedingstukken komt naar voren dat appellant bij zijn ontslagaanvraag een voorbehoud maakt. De staatssecretaris heeft daarom terecht gevraagd om een nadere verklaring van appellant over zijn ontslagaanvraag en hem daarbij de tijd gegeven om zich nader te beraden. Uiteindelijk heeft appellant in zijn e-mailbericht van 25 november 2016 te kennen gegeven dat hij het liefst zou willen blijven werken in een passende functie en dat ontslag meer een soort noodoptie was. Appellant wenste nog een slag om de arm te houden ten aanzien van zijn ontslagaanvraag, in verband met een lopende procedure over de overplaatsing. Appellant heeft meegedeeld dat hij gebruik wil maken van de ontslagregeling, maar dat hij de mogelijkheid wil hebben om later terug te komen op zijn keuze.

4.2.2.

Appellant heeft ter zitting bij de Raad de stelling ingenomen dat hij heeft verzocht om toezending van de vaststellingsovereenkomst teneinde deze overeenkomst te kunnen tekenen. Een dergelijk verzoek heeft de Raad niet aangetroffen in de gedingstukken. Gelet op het gemaakte voorbehoud bij de ontslagaanvraag was er geen aanleiding om de vaststellingsovereenkomst ter tekening voor te leggen.

4.2.3.

De Raad komt tot de conclusie dat er onvoldoende basis was voor toewijzing van de aanvraag. Dit betekent dat het betoog van appellant dat de rechtbank gehouden was om niet slechts het bestreden besluit te vernietigen, maar ook het primaire besluit te herroepen en zelf in de zaak te voorzien door de aanvraag toe te wijzen, niet slaagt.

4.2.4.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, is de door de rechtbank toegekende proceskostenveroordeling van € 501,- voor rechtsbijstand niet te laag. De rechtbank heeft het primaire besluit niet herroepen en overigens heeft appellant in de bezwaarfase geen verzoek gedaan om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. Appellant heeft terecht gesteld dat zijn gemachtigde een reactie heeft gegeven op het verweerschrift. Een dergelijke reactie kan pas voor vergoeding in aanmerking komen als het moet worden aangemerkt als het geven van inlichtingen op verzoek van de bestuursrechter. Daar is in dit geval geen sprake van. Verder is appellant zonder gemachtigde verschenen ter zitting bij de rechtbank, zodat de rechtbank terecht slechts één proceshandeling van de gemachtigde voor vergoeding in aanmerking heeft gebracht, namelijk het opstellen van het beroepschrift. Verder was er, anders dan appellant heeft aangevoerd, geen aanleiding voor een veroordeling in de volledige proceskosten die hij in de beroepsfase heeft gemaakt. Daarvoor moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Wil naar het oordeel van de Raad sprake zijn van dergelijke bijzondere omstandigheden, dan zal een betrokkene, als gevolg van de werkwijze van een bestuursorgaan, uitzonderlijk hoge kosten hebben moeten maken (zie de uitspraak van de Raad van 10 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4672). Dat is hier niet het geval.

4.2.5.

Uit 4.2.1 tot en met 4.2.4 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt.

Conclusie

4.3.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Beroep van appellant tegen het nader besluit

4.4.

Gelet op wat onder 4.2.1 tot en met 4.2.3 is overwogen en in aanmerking genomen dat de staatssecretaris vanuit het oogpunt van een goede uitvoering van de uitstroomregeling redelijkerwijs voor een bepaalde datum een ontslagverzoek zonder enig voorbehoud mocht verlangen, heeft de staatssecretaris bij het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nader besluit de aanvraag van appellant op goede gronden afgewezen. Het beroep van appellant tegen het nader besluit slaagt dan ook niet.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 10 juli 2018 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) M. Buur

md