Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:280

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
01-02-2019
Zaaknummer
17/1498 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat er een noodzaak tot een duurbeperking bestaat. Nu niet is gebleken dat het medisch onderzoek van het Uwv onzorgvuldig is en er ook geen twijfel is ontstaan over het medisch oordeel van de verzekeringsartsen is er geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1498 WIA

Datum uitspraak: 30 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 9 januari 2017, 16/1422 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2018. Appellant is, zonder bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft gewerkt als service monteur voor 40 uur per week. Op 1 juni 2010 heeft hij zich ziek gemeld wegens een toename van psychische klachten. Appellant ontving toen een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Vervolgens is aan hem tot

29 mei 2012 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Aansluitend heeft appellant weer een uitkering op grond van de WW ontvangen. Op 12 november 2012 heeft appellant zich opnieuw ziek gemeld met dezelfde klachten. Tot 28 juli 2014 heeft appellant een ZW-uitkering ontvangen. Op 4 mei 2015 heeft hij zich wederom met dezelfde klachten ziek gemeld.

1.2.

Op 7 september 2015 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Aangezien appellant sinds

1 juni 2010 dezelfde klachten heeft geclaimd is bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van 6 oktober 2015 de medische situatie van appellant per 29 mei 2012 en per 4 mei 2015 onderzocht. Bij besluit van 2 november 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per

29 mei 2012 en per 4 mei 2015 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat hij op beide data minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Bij besluit van 22 maart 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de beslissing van 2 november 2015 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er onvoldoende redenen zijn om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek. Evenmin heeft de rechtbank aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de rapporten. Naar het oordeel van de rechtbank was er geen aanleiding voor een duurbeperking, omdat uit de medische informatie niet blijkt dat de klachten van draaiduizeligheid tot vermoeidheidsklachten leiden. Het dagverhaal van appellant is niet bepalend voor het aannemen van een duurbeperking.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat er aanleiding is voor een duurbeperking. Volgens appellant heeft het Uwv niet gemotiveerd waarom een duurbeperking niet nodig is. Verder is appellant van mening dat de rechtbank ten onrechte de uitleg van een duurbeperking minimaliseert naar vermoeidheidsklachten en heeft zij ten onrechte geen deskundige benoemd. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat er onvoldoende rekening is gehouden met het dagverhaal.

3.2.

Het Uwv heeft – mede onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep − bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De overwegingen van de rechtbank, zoals samengevat in overweging 2, worden onderschreven.

4.2.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat er een noodzaak tot een duurbeperking bestaat. De verzekeringsarts heeft in hoger beroep met zijn rapport van 7 juni 2017, en ook in zijn eerdere rapporten van 5 februari 2016 en 8 november 2016, overtuigend gemotiveerd dat in het geval van appellant bij het ontbreken van een geobjectiveerd medisch substraat er geen noodzaak is een duurbeperking in de Functionele Mogelijkhedenlijst weer te geven.

4.3.

Nu niet is gebleken dat het medisch onderzoek van het Uwv onzorgvuldig is en er ook geen twijfel is ontstaan over het medisch oordeel van de verzekeringsartsen is er geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen.

4.4.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2019.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) L. Boersma

md