Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2791

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2019
Datum publicatie
27-08-2019
Zaaknummer
15/7611 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering appellante WIA-uitkering toe te kennen. Toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak? Gelet op de onderzoeksbevindingen van de door de Raad geraadpleegde deskundige wordt geconcludeerd dat niet buiten twijfel staat dat de toegenomen beperkingen niet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak. Nu is geconcludeerd dat niet buiten twijfel staat dat geen sprake is van dezelfde ziekteoorzaak, had het Uwv bij de bepaling van de belastbaarheid van appellante de toegenomen elleboogklachten mee moeten nemen. Geen schadevergoeding wegens inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn. Proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 7611 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 oktober 2015, 15/3 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

Datum uitspraak: 22 augustus 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Voets. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

Het onderzoek is ter zitting geschorst om het Uwv gelegenheid te bieden een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op te stellen.

Het Uwv heeft aan dit verzoek voldaan en een nader rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De Raad heeft orthopedisch chirurg dr. J.B.A. van Mourik benoemd als deskundige. De deskundige heeft appellante onderzocht en op 17 december 2018 rapport uitgebracht.

Partijen hebben hun zienswijze op het rapport gegeven.

Het Uwv heeft op verzoek van de Raad een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingebracht.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

Partijen hebben desgevraagd verklaard geen gebruik te willen maken van het recht nader ter zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als wijkziekenverzorgende. Op

23 november 2004 heeft appellante zich ziek gemeld met rechterschouderklachten. Bij besluit van 28 november 2006 heeft het Uwv appellante met ingang van 21 november 2006 een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80-100%. Bij besluit van 18 februari 2014 heeft het Uwv de WGA-uitkering van appellante met ingang van

25 april 2014 beëindigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Aan dit besluit is onder meer een FML van 19 november 2013 ten grondslag gelegd. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

1.2.

Appellante heeft zich op 26 september 2014 bij het Uwv gemeld met toegenomen rechterschouder-, arm-, elleboog- en handklachten met ingang van 4 september 2014. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 19 november 2014 geweigerd om appellante per 4 september 2014 een uitkering op grond van de Wet WIA toe te kennen omdat zij nu andere gezondheidsklachten heeft dan tijdens de eerdere WIA-uitkering, zodat er pas na een wachttijd van 104 weken weer aanspraak op WIA-uitkering kan ontstaan. Aan dit besluit ligt het standpunt ten grondslag dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 25 april 2014. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 november 2014 heeft het Uwv bij besluit van 18 december 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht. Er is niet gebleken dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellante hebben gemist. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen. Volgens de rechtbank staat buiten twijfel dat de arbeidsongeschiktheid die is opgetreden per 4 september 2014 voortkomt uit een andere ziekteoorzaak dan de ziekteoorzaak bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 25 april 2014.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat sprake is van dezelfde ziekteoorzaak. De rechterarm- en elleboogklachten werden ook op 25 april 2014 veroorzaakt door de later vastgestelde nervus ulnaris dan wel een aandoening die samenhing met haar rechterschouderaandoening. Er is destijds ten onrechte vastgesteld dat sprake was van een tenniselleboog. Dit blijkt volgens appellante uit informatie van haar huisarts en de behandelend orthopedisch chirurg.

3.2.

Na de zitting van 30 juni 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een FML van 9 oktober 2017, geldig per 4 september 2014 opgesteld, waarin zowel de rechterschouderklachten als de klachten aan de rechterelleboog per 4 september 2014 zijn opgenomen. Zijn visie op de beperkingen van appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht in zijn nadere rapport van 9 oktober 2017.

3.3.

Appellante heeft gemotiveerd te kennen gegeven dat de FML van 9 oktober 2017 nog steeds niet tegemoet komt aan haar feitelijke aandoeningen en beperkingen. Zij is verdergaand beperkt op zowel lichamelijk als psychisch vlak.

3.4.

Appellante heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade omdat sprake is van een inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer door de psychische klachten die mede zijn ontstaan als gevolg van het bestreden besluit. Appellante heeft ter onderbouwing van dit verzoek een verklaring van GZ-psycholoog M. Peperkamp-Koedijk ingebracht. Daarnaast is vergoeding verzocht van immateriële schade door overschrijding van de redelijke termijn door de Raad als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. De Raad oordeelt als volgt.

WIA-beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA herleeft het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde weer arbeidsongeschikt wordt, als hij op de dag hieraan voorafgaand een mate van arbeidsongeschiktheid had van minder dan 35% en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak op grond waarvan hij eerder recht had op een WGA-uitkering.

4.2.

Niet meer in geschil is dat sprake is van een toename van de beperkingen van appellante. Wel in geschil is of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat geen sprake is van binnen vijf jaar na 25 april 2014 toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak in de zin van artikel

57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak geldt voor de toepassing van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA – net als eerder voor de toepassing van de artikelen 39a en 43a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering – dat buiten twijfel moet staan dat de (toegenomen) arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in de artikelen niet van toepassing zijn, waarbij de bewijslast in beginsel berust op degene die stelt dat er geen causaal verband is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM2700).

4.4.

Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek. De deskundige heeft appellante gezien, lichamelijk onderzoek verricht en röntgenfoto’s laten maken. Door de deskundige is alle aanwezige medische informatie kenbaar bij zijn beoordeling betrokken. In zijn rapport is een uitgebreide en complete weergave van deze informatie opgenomen. De deskundige heeft in zijn rapport de bevindingen van zijn onderzoek nauwkeurig weergegeven en het rapport is inzichtelijk en consistent.

4.5.

De deskundige heeft in zijn rapport onder meer geconcludeerd dat er in november 2013 sprake was van persisterende schouderklachten en dat er, naast deze schouderproblematiek, in 2013 ook een probleem van de rechterelleboog was. De deskundige heeft over de klachten aan de rechterelleboog te kennen gegeven dat door de huisarts aanvankelijk gesproken is van een tennisarm op basis van overbelasting, maar dat later is gebleken dat er sprake was van druk op de nervus ulnaris. Van deze problematiek was volgens de deskundige in 2014 ook sprake. De deskundige heeft geconcludeerd dat er in september 2014 sprake was van het subacromiaal pijnsyndroom van de schouder en van beknelling van de nervus ulnaris rechts ter plaatse van de elleboog (ulnaris entrapment). Over de vastgestelde beperkingen heeft de deskundige te kennen gegeven dat de FML van 19 november 2013 niet geheel aan de situatie van appellante in 2013 en 2014 voldeed. De in hoger beroep opgestelde FML van 9 oktober 2017, geldig vanaf 4 september 2014, voldoet volgens de deskundige wel aan de situatie van appellante. Er zijn in die FML duidelijke beperkingen opgenomen zowel van hand- en vingergebruik als van schouderactiviteiten, waarmee recht wordt gedaan aan de diagnoses entrapment van de nervus ulnaris ter plaatse van de elleboog en het subacrominaal pijnsyndroom van de schouder.

4.6.

Gelet op de onderzoeksbevindingen van de deskundige wordt geconcludeerd dat niet buiten twijfel staat dat de toegenomen beperkingen per 4 september 2014 niet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak. Uit wat onder 4.4 is weergegeven, valt af te leiden dat de in 2013 naar voren gebrachte klachten aan de rechterelleboog, die destijds door de verzekeringsarts als gevolg van een tendomyogene aandoening (tenniselleboog) van tijdelijke aard zijn aangemerkt, volgens de deskundige het gevolg waren van later geconstateerde druk op de nervus ulnaris.

4.7.

Nu is geconcludeerd dat niet buiten twijfel staat dat geen sprake is van dezelfde ziekteoorzaak, had het Uwv bij de bepaling van de belastbaarheid van appellante per

4 september 2014 de toegenomen elleboogklachten mee moeten nemen. Tussen partijen staat inmiddels vast dat met de beperkingen in de FML van 19 november 2013 niet in voldoende mate recht wordt gedaan aan de medische situatie van appellante. De vraag die dan ook voorligt is of in de FML van 9 oktober 2017, waarin zowel de schouder- als de elleboogklachten zijn meegenomen, wel in voldoende mate rekening is gehouden met de klachten van appellante. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Er is geen aanleiding om te concluderen dat appellante verdergaand beperkt is dan in de FML van 9 oktober 2017 is vastgesteld. De deskundige heeft geconcludeerd dat met de beperkingen die in de FML van

9 oktober 2017 zijn vastgesteld recht wordt gedaan aan zowel de problematiek van de rechterelleboog als de schouderklachten van appellante. De deskundige heeft te kennen gegeven dat er voldoende beperkingen zijn opgenomen en heeft geen indicatie gezien voor meer beperkingen. Wat appellante heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Ook is uit de overige gedingstukken, waaronder de door appellante ingebrachte medische informatie, niet gebleken dat appellante verdergaand beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML van 9 oktober 2017 is aangenomen.

4.8.

Omdat het Uwv niet buiten twijfel heeft gesteld dat de op 4 september 2014 toegenomen beperkingen voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak en de medische belastbaarheid eerst in hoger beroep op juiste wijze is vastgesteld in de FML van 9 oktober 2017, is het bestreden besluit niet voorzien van een deugdelijke medische onderbouwing. Het Uwv heeft ten onrechte niet de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld per 4 september 2014 met toepassing van het bepaalde in artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA.

5.1.

Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het Uwv opdragen opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. De Raad kan, ondanks het feit dat in hoger beroep ook al is gerapporteerd door een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en een mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 4 september 2014 is berekend, het geschil niet definitief beslissen omdat voor de vaststelling van het uitkeringsrecht van appellante nadere gegevens nodig zijn waarover de Raad niet beschikt.

5.2.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Schadevergoeding wegens inbreuk op de persoonlijke levenssfeer

6. Voor vergoeding van immateriële schade wegens een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van appellante, is geen grond. Met de verklaring van de GZ-psycholoog heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van de onrechtmatigheid van het bestreden besluit sprake is geweest van geestelijk letsel dat kan worden aangemerkt als aantasting van haar persoon, waaraan zij aanspraak op vergoeding van immateriële schade kan ontlenen. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van

30 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1216) is daarvoor onvoldoende dat – zoals in dit geval – sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door het onrechtmatige besluit. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat appellante in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek is geschaad in haar eer of goede naam of dat zich anderszins een situatie voordoet zoals in dit artikellid omschreven.

Schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn

7.1.

Het verzoek van appellante om vergoeding van immateriële schade wegens schending van de redelijke termijn van artikel 6, eerste lid, van het EVRM beperkt zich tot het rechterlijke aandeel in deze overschrijding.

7.2.

Voor de wijze van beoordeling van een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

7.3.

Voor de situatie van appellante betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 27 november 2014 tot aan de datum van deze uitspraak zijn ruim vier jaren en acht maanden verstreken. Het Uwv heeft binnen een maand op het bezwaar beslist. Vanaf de ontvangst door de rechtbank op 5 januari 2015 van het beroepschrift van appellante heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank negen maanden geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst door de Raad op 17 november 2015 van het hogerberoepschrift tot de datum van deze uitspraak drie jaar en negen maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn is geschonden door de Raad.

7.4.

Gelet op de overwegingen 7.1 tot en met 7.3 slaagt het beroep van appellante op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De overschrijding van de redelijke termijn met acht maanden komt voor rekening van de Staat. Dat leidt tot een schadevergoeding van tweemaal € 500,-, waarbij de Raad in aanmerking neemt dat niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie als gevolg van de duur van de procedure die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De Raad zal daarom de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.000,- aan appellante.

Proceskosten

8. Aanleiding bestaat om zowel het Uwv als de Staat voor een gedeelte te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden voor het Uwv begroot op € 1.024,- in beroep en € 1.280,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.304,-. Voorts komen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten die appellante heeft gemaakt voor aanwezigheid ter zitting in beroep en hoger beroep ten bedrage van € 31,40 en de reiskosten die appellante heeft gemaakt voor het medische onderzoek van de door de Raad ingeschakelde deskundige ten bedrage van € 40,-. In totaal bedragen de reiskosten dus

€ 71,40. Het Uwv zal in totaal een bedrag van € 2.375,40 aan proceskosten aan appellante dienen te vergoeden. De Staat zal een bedrag van € 256,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand vanwege het verzoek om schadevergoeding dienen te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 18 december 2014;

  • -

    draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt de Staat tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.375,40;

  • -

    veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 256,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2019.

(getekend) M. Greebe

(getekend) R.L. Rijnen

OS