Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2789

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2019
Datum publicatie
27-08-2019
Zaaknummer
17/4640 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag om een Wajong-uitkering terecht afgewezen. Geen twijfel aan de juistheid van de beoordeling door het Uwv. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant ten tijde van zijn Wajong-aanvraag beschikte over arbeidsvermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4640 WAJONG

Datum uitspraak: 14 augustus 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

23 mei 2017, 16/8221 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 22 juni 2018 heeft mr. A.C.M. van Lieshout, advocaat, zich gesteld als opvolgend gemachtigde.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.M. Bekooij, advocaat en kantoorgenoot van mr. Van Lieshout. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is geboren op [geboortedatum] 1987. Op 1 september 2014 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 26 november 2014 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen. Van september 2014 tot en met augustus 2015 heeft appellant een HBO-studie gevolgd. Op 28 september 2015 heeft hij een aanvraag ingediend om ondersteuning op grond van hoofdstuk 1A van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015). Bij besluit van 14 oktober 2015 heeft het Uwv de aanvraag van appellant afgewezen omdat appellant niet aan de voorwaarden voldoet. Dit besluit is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig onderzoek van de verzekeringsarts, die onder verwijzing naar de beoordeling van de WIA-aanvraag, heeft geconcludeerd dat appellant beschikt over arbeidsvermogen.

1.2.

Bij besluit van 7 september 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 14 oktober 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Omdat appellant heeft gestudeerd van september 2014 tot en met augustus 2015, heeft het Uwv een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige verzocht een volledige beoordeling in het kader van de Wajong 2015 te verrichten. De conclusies van deze beoordeling zijn neergelegd in de rapporten van de verzekeringsarts van 3 mei 2016, 20 mei 2016 en 29 juni 2016 en het rapport van de arbeidsdeskundige van 23 mei 2016. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben in hun rapport van 29 augustus 2016, respectievelijk 6 september 2016, geconcludeerd dat er geen reden bestaat om af te wijken van de conclusie dat appellant beschikt over arbeidsvermogen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat appellant blijkens zijn werkverleden in staat is geweest om werkzaamheden te verrichten van ten minste vier uur per dag en ten minste één uur aaneengesloten. Daarvoor wijst de rechtbank onder meer op het dienstverband van 1 februari 2009 tot 30 september 2009 als [functie] bij [BV] gedurende twintig uur per week. Gelet op de duur van de dienstverbanden is niet aannemelijk geworden dat appellant niet beschikt over basale werknemersvaardigheden. Daarnaast is afdoende gemotiveerd dat hij vier uur per dag belastbaar is, ten minste één uur aaneengesloten kan werken met niet meer dan één wezenlijke onderbreking van het productieproces en een taak in een arbeidsorganisatie kan uitvoeren. Appellant voldoet naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aan het bepaalde in artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit).

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat hij geen arbeidsvermogen heeft.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Appellant heeft binnen de in dit artikel bedoelde termijn nadere stukken, te weten medische verklaringen van 6 oktober 2017, 2 april 2017 en 2 mei 2019, en een röntgenfoto ingediend, die door de Raad zijn ontvangen op 1 juli 2019. Artikel 8:58, eerste lid, van de Awb beoogt, als voortvloeiend uit de eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor, de wederpartij te beschermen tegen niet tijdig aan het dossier toegevoegde stukken waarop die partij niet is voorbereid en waarop niet adequaat kan worden gereageerd. Daarnaast beoogt deze bepaling de rechter in staat te stellen om voldoende kennis te kunnen nemen van de tot het geding behorende stukken om het onderzoek ter zitting naar behoren te kunnen uitvoeren en leiden. In dit geval heeft de gemachtigde van het Uwv te kennen gegeven geen gelegenheid meer te hebben gehad de stukken voor te leggen aan een verzekeringsarts. Verder is van belang, dat gelet op de datum van de stukken, appellant deze eerder had kunnen indienen. Gezien deze omstandigheden zullen de op 1 juli 2019 ontvangen stukken niet bij de beoordeling van de zaak worden betrokken.

4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat hoofdstuk 1A van de Wajong 2015 het beoordelingskader vormt. Voor dit wettelijk kader en het kader dat het Uwv hanteert voor de beoordeling van de vraag of een betrokkene beschikt over mogelijkheden tot arbeidsparticipatie wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018. In deze zaak wordt volstaan met vermelding van het volgende.

4.3.

Op grond van artikel 1a:1, eerste lid aanhef en onder b, van de Wajong 2015 is jonggehandicapte: de ingezetene na zijn achttiende jaar als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

4.4.

Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid; 2:4, eerste lid; en 3:8a, eerste lid van de Wajong 2015, indien hij:

  1. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

  2. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

  3. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

  4. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur. In het tweede lid van artikel 1a van het Schattingsbesluit is bepaald dat een taak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de kleinste eenheid van een functie is en uit één of meerdere handelingen bestaat.

4.5.

In geschil is de vraag of appellant kan worden aangemerkt als een jonggehandicapte zoals bedoeld in artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder b van de Wajong 2015. Gelet op het verhandelde ter zitting stelt appellant zich daarbij op het standpunt dat hij in verband met zijn lichamelijke en psychische klachten voldoet aan de voorwaarden dat hij niet in staat is ten minste een uur aaneengesloten te werken en hij niet ten minste vier uur per dag belastbaar is.

4.6.

Geoordeeld wordt dat de rapporten van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundigen blijk geven van een zorgvuldig onderzoek. Niet is gebleken dat deze rapporten tegenstrijdigheden bevatten of onvoldoende begrijpelijk zijn. De verzekeringsarts heeft appellant gezien op het spreekuur en medische informatie opgevraagd, de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben de in dit dossier beschikbare medische informatie bestudeerd en kenbaar bij hun beoordeling betrokken. De arbeidsdeskundige heeft appellant en zijn moeder gesproken, informatie ingewonnen over de gevolgde opleidingen en stages, deze informatie in zijn rapport beschreven en overleg gevoerd met de verzekeringsarts. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd.

4.7.

Er zijn geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling door het Uwv. Anders dan appellant heeft aangevoerd, is niet gebleken dat appellant medisch niet in staat is ten minste een uur aaneengesloten te werken en ten minste vier uur per dag belastbaar te zijn. De verzekeringsarts concludeert in zijn rapport van 20 mei 2016 dat de informatie van de neuroloog geen aanleiding geeft te veronderstellen dat appellant niet beschikt over arbeidsvermogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de dossiergegevens geen aanleiding gezien van het oordeel van de verzekeringsarts af te wijken. Daarvoor heeft hij overtuigend gemotiveerd dat gedurende het gehele onderzoek van de verzekeringsarts goed de aandacht was te trekken en te behouden en dat op overige cognitieve functies bij belanghebbende geen stoornissen zijn waargenomen. Appellant reageert adequaat. Hiermee is het volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep aannemelijk dat appellant zich ten minste één uur kan richten op een taak. Voorts blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep uit het dagverhaal dat appellant ten minste vier uur per dag belastbaar is. De voorhanden zijnde medische informatie geeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van deze conclusies van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4.8.

Appellant heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen het standpunt van het Uwv dat hij beschikt over basale werknemersvaardigheden en een taak in een arbeidsorganisatie kan uitvoeren.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant ten tijde van zijn Wajong-aanvraag beschikte over arbeidsvermogen en de aanvraag om een Wajong-uitkering terecht is afgewezen. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en M. Schoneveld en
E.J.J.M. Weyers als leden, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2019.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) M.A.E. Lageweg

TM