Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2788

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2019
Datum publicatie
27-08-2019
Zaaknummer
17/2255 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag vergoeding van de kosten voor een hoortoestel terecht afgewezen. De aanschaf van het toestel in 2016 kan niet beschouwd worden als een uitvloeisel van de aanvraag uit 2012. Het Uwv heeft in 2012 positief beslist op grond van de offerte van 28 september 2012. In 2016 heeft appellant verzocht om een vergoeding op basis van een nota van een andere leverancier, en betreft het bovendien een ander toestel. De aanvraag in 2016 dient beschouwd te worden als een nieuwe aanvraag. Gelet op de per 1 januari 2013 gewijzigde regelgeving was het Uwv toen niet meer bevoegd tot het verstrekken van (een vergoeding voor) een dergelijk hulpmiddel. Nu er geen sprake is van een aanvraag voor 1 januari 2013 is de overgangsbepaling niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2255 WIA

Datum uitspraak: 21 augustus 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

21 februari 2017, 16/6109 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2019. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Riet.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft op 27 maart 2016 bij het Uwv een aanvraag ingediend om vergoeding van kosten voor de aanschaf van een hoortoestel voor zijn linkeroor, waarvan de kosten in totaal € 958,- bedragen. Bij besluit van 8 april 2016 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen op de grond dat het Uwv vanaf 1 januari 2013 niet meer bevoegd is om de aanvraag van appellant in behandeling te nemen, omdat de zorgverzekeraars hiervoor verantwoordelijk zijn.

1.2.

Bij beslissing op bezwaar van 20 juni 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 april 2016 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat de zorgverzekeraar van appellant vanaf 1 januari 2013 verantwoordelijk is voor het afhandelen van de aanvraag voor een hoortoestel en dat het Uwv niet langer bevoegd is de aanvraag voor een hoortoestel in behandeling te nemen. Het overgangsrecht is niet van toepassing, omdat appellant ondanks zijn aanvraag om vergoeding van een hoortoestel van 14 november 2012, het toestel pas op 15 februari 2016 heeft aangeschaft. Bovendien is het hoortoestel volgens het Uwv geheel door de zorgverzekeraar van appellant vergoed.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hieraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het Uwv vanaf 1 januari 2013 niet meer bevoegd is om hoortoestellen te vergoeden. Per die datum is die bevoegdheid overgegaan naar de zorgverzekeraars. Ingevolge het overgangsrecht blijft de oude regeling van toepassing op aanvragen voor 1 januari 2013. Appellant heeft het hoortoestel, waarvoor hij vergoeding verzoekt, pas in 2016 aangeschaft. De betreffende factuur dateert ook niet van voor 2013. Het overgangsrecht is derhalve niet van toepassing. Ook de rechtbank gaat ervan uit dat de zorgverzekeraar van appellant de kosten van het hoortoestel al heeft vergoed.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv bij besluit van 22 november 2012 de toezegging heeft gedaan om twee hoortoestellen te vergoeden. Daarbij zijn geen voorwaarden gesteld. Het overgangsrecht is dan ook niet van toepassing. Appellant heeft één toestel voor het rechteroor aangeschaft in maart 2013, waarvoor het Uwv de toegezegde vergoeding heeft uitgekeerd, en het andere toestel voor het linkeroor, na diverse medische expertises, in 2016. Het Uwv dient de toezegging om ook het tweede toestel te vergoeden gestand te doen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Appellant kan geen rechten ontlenen aan het toekenningsbesluit van 22 november 2012. Het toestel dat in 2016 is aangeschaft is een ander toestel dan het toestel dat opgenomen is in de prijsopgave, die ten grondslag ligt aan het toekenningsbesluit. Bovendien betreft het een andere leverancier. Op de aanvraag in 2016 is dus het nieuwe wettelijke regime van toepassing. In dat kader is het Uwv niet meer bevoegd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In geschil is of de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld dat het Uwv terecht de aanvraag voor vergoeding van de kosten voor een hoortoestel heeft afgewezen.

4.2.

Per 1 januari 2013 is het op onder meer de artikelen 34, 35, en 36 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen gebaseerde Reïntegratiebesluit gewijzigd. Vanaf die datum is het Uwv niet meer bevoegd voorzieningen te verlenen in de vorm van een hulpmiddel gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie. Bij die wijziging is in artikel 21 van het Reïntegratiebesluit de volgende overgangsbepaling opgenomen:

Artikel 2, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van het Besluit van

12 december 2012, tot wijziging van het Reïntegratiebesluit in verband met het uitsluiten van de vertrekking van hulpmiddelen gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie (Stb. 656) blijft van toepassing op de verlening van een voorziening in de vorm van een uitwendig hulpmiddel gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie, indien deze is aangevraagd voor de dag van inwerkingtreding van dat besluit.

4.3.

In de Beleidsregels vergoeding hoorhulpmiddelen, die het Uwv, ter uitvoering van zijn aanvullende bevoegdheid om hoortoestellen te vergoeden, heeft opgesteld is, in artikel 2, eerste lid, onder e, opgenomen dat de aanvrager van de vergoeding van hoorhulpmiddelen, bij zijn aanvraag, een afschrift van de nota of van de offerte verstrekt.

4.4.

Op 14 november 2012 heeft appellant het Uwv verzocht om vergoeding van twee hoortoestellen. Daarbij was een offerte gevoegd van [naam bedrijf] van 28 september 2012. Zowel voor het linker- als het rechteroor betrof de offerte een Widex Clear 440 Fusion. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het Uwv het toekenningsbesluit van 22 november 2012 genomen, waarbij aan appellant een vergoeding is toegekend van twee maal € 700,-. In 2013 heeft het Uwv een bedrag van € 700,- vergoed nadat appellant een Widex Clear 440 Fusion voor het rechteroor had aangeschaft, en de betreffende factuur aan het Uwv had gezonden.

4.5.

Wegens diverse medische onderzoeken, behandelingen en testen is het in 2013 niet gekomen tot de aanschaf van een toestel voor het linkeroor. Uiteindelijk heeft appellant in 2016 een toestel voor het linkeroor aangeschaft. Uit de factuur van leverancier [naam leverancier] van 15 februari 2016 blijkt dat het een Widex C330-9RC VC betreft.

4.6.

Gelet op het in 4.4 en 4.5 geschetste verloop kan de aanschaf van het toestel in 2016 niet beschouwd worden als een uitvloeisel van de aanvraag uit 2012. Het Uwv heeft in 2012 positief beslist op grond van de offerte van 28 september 2012 van [naam bedrijf]. In 2016 heeft appellant verzocht om een vergoeding op basis van een nota van een andere leverancier, en betreft het bovendien een ander toestel. De aanvraag in 2016 dient beschouwd te worden als een nieuwe aanvraag. Gelet op de per 1 januari 2013 gewijzigde regelgeving was het Uwv toen niet meer bevoegd tot het verstrekken van (een vergoeding voor) een dergelijk hulpmiddel. Nu er geen sprake is van een aanvraag voor 1 januari 2013 is de overgangsbepaling niet van toepassing.

4.7.

Wat is overwogen in 4.2. tot en met 4.6 leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en E.W. Akkerman en
D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2019.

(getekend) M. Greebe

(getekend) R.H. Koopman

IvR