Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2779

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2019
Datum publicatie
26-08-2019
Zaaknummer
18/1311 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:485, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen bijstand in verband met niet gemelde werkzaamheden in onderneming. Nakomen inlichtingenverplichting niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/1311 en 18/1313 PW

Datum uitspraak: 13 augustus 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

26 januari 2018, 17/3232, 17/3604 en 17/4018 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Kafa, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kafa, [X.] en T. Cetinkaya als tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.E. van Dijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 15 maart 2003 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Uit de relatie van appellante en [X.] (X) zijn twee kinderen geboren. Op

21 mei 2013 heeft appellante bij het college een wijzigingsformulier ingeleverd, waarop is vermeld dat X met ingang van 11 april 2013 bij haar is komen wonen. Het wijzigingsformulier is door appellante en X ondertekend. Het college heeft in deze wijziging aanleiding gezien om bij besluit van 16 september 2013 aan appellante en X met ingang van 11 april 2013 bijstand naar de norm voor gehuwden toe te kennen. Appellante en X ontvingen laatstelijk bijstand naar de norm voor gehuwden op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

Op 18 februari 2016 heeft een werkconsulent van de gemeente Rotterdam X uitgenodigd voor een arbeidsmotivatiegesprek. In reactie op deze uitnodiging heeft een kennis van appellante en X namens hen telefonisch contact opgenomen met de werkconsulent en te kennen gegeven dat appellante en X zich afvragen waarom X op het gesprek dient te verschijnen, omdat hij werkt en hij nooit bijstand heeft aangevraagd of ontvangen. Naar aanleiding hiervan een medewerker van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Rotterdam een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellante en X verleende bijstand. In dat kader heeft de medewerker dossieronderzoek gedaan, diverse gegevensbronnen geraadpleegd en bij appellante en X stukken opgevraagd, waaronder bankafschriften en informatie over de onderneming van X. Uit gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat sinds 9 maart 2009 op naam van X een vennootschap onder firma (VOF) met de handelsnaam [naam VOF] geregistreerd staat. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 20 september 2016.

1.3.

Het college heeft in de onderzoeksbevindingen aanleiding gezien om bij besluit van

20 september 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 april 2017

(bestreden besluit 1), de bijstand over de periode van 11 april 2013 tot en met 31 maart 2016 te herzien (lees: in te trekken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 45.844,56 van appellante en van X terug te vorderden. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante en X in strijd met de op hun rustende inlichtingenverplichting niet hebben gemeld dat X in deze periode als zelfstandig ondernemer werkzaamheden heeft verricht en hij daaruit inkomsten heeft genoten. Nu appellante en X geen gegevens hebben overgelegd over de door X in deze periode genoten inkomsten, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 4 januari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 mei 2017 (bestreden besluit 2), heeft het college de terugvordering over het jaar 2016 gebruteerd en die vordering verhoogd met € 514,35.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond zijn verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 11 april 2013 tot en met 31 maart 2016.

4.2.

Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

4.3.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de PW doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.4.

Niet in geschil is dat X in de te beoordelen periode een onderneming had en hij uit werkzaamheden voor deze onderneming inkomsten heeft genoten. Evenmin is in geschil dat appellante en X hiervan op het op 21 mei 2013 ingeleverde wijzigingsformulier geen melding hebben gemaakt.

4.5.

In hoger beroep heeft appellante staande gehouden dat van een schending van de inlichtingenverplichting geen sprake is, omdat van de werkzaamheden en inkomsten van X wel melding is gemaakt bij het college. Het college was daarom niet bevoegd over te gaan tot intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode in geding.

4.6.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellante heeft haar stelling dat zij melding heeft gemaakt van de werkzaamheden en inkomsten van X niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Ook anderszins is voor deze stelling van appellante in de in het dossier aanwezige stukken geen enkel aanknopingspunt te vinden. Dat appellante, zoals zij ter zitting heeft aangevoerd, op dit punt in bewijsnood verkeert, komt voor haar rekening en risico. Daarbij komt dat appellante wisselende verklaringen heeft afgelegd over de wijze waarop van de werkzaamheden en inkomsten van X bij het college melding zou zijn gemaakt. Zo heeft appellante in bezwaar aangevoerd dat de boekhouder van X telefonisch aan het college heeft doorgegeven dat X inkomsten uit zijn onderneming geniet. Tijdens de hoorzitting op

4 april 2017 heeft appellante verklaard dat de boekhouder van X stukken bij het college heeft ingeleverd en zij daarnaast zelf telefonisch bij het college heeft gemeld dat X inkomsten geniet. Tijdens de hoorzitting op 2 mei 2017 heeft de gemachtigde van appellante aangevoerd dat op het wijzigingsformulier geen inkomen is doorgegeven omdat X een VOF heeft en er geen vast inkomen is. Dat X inkomsten had is wel door een tussenpersoon en door de boekhouder telefonisch doorgegeven en X heeft stukken over zijn inkomsten per post aan het college heeft verstuurd. Tijdens de zitting bij de rechtbank heeft appellante te kennen gegeven dat zij en X zelf gegevens over de inkomsten van X in 2013 en 2014 hebben overgelegd en ook de boekhouder hierover stukken bij het college heeft ingediend. Het college heeft dan ook terecht geconcludeerd dat sprake is van een schending van de inlichtingenverplichting.

4.7.

Tegen de terugvordering en de brutering heeft appellante geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat deze geen bespreking behoeven.

4.8.

Uit 4.6 en 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2019.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) L. Hagendijk