Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2778

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2019
Datum publicatie
26-08-2019
Zaaknummer
17/6334 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:5467, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen verzoek tot vergoeding van de kosten van de opleiding tot rijinstructeur in kader van arbeidsinschakeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/272
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6334 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 13 augustus 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 augustus 2017, 17/831 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2019. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.H.J. Aarts-Kerstens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt vanaf maart 2013 van het college bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

Op 30 maart 2015 heeft appellant een aanvraag ingediend om vergoeding van de kosten van een opleiding tot rijinstructeur in het kader van zijn arbeidsinschakeling. De kosten van de betreffende opleiding bedragen € 4.950. Bij besluit van 15 juni 2016 heeft het college de aanvraag afgewezen.

1.3.

Bij besluit van 26 januari 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 juni 2016 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat de kosten van de opleiding meer bedragen dan het in

artikel 5.1, vijfde lid, van de door het college vastgestelde Beleidsregels re-integratie Participatiewet (beleidsregels) genoemde maximum van € 2.500,-. Geen aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 5.1, zevende lid, van de beleidsregels van dat maximum af te wijken. Volgens het college is immers niet gebleken dat een werkgever de intentie heeft om appellant na afronding van de opleiding een baan aan te bieden. Evenmin is komen vast te staan dat appellant na afronding van de opleiding bijstandsonafhankelijk zal worden. De door appellant in bezwaar overgelegde verklaringen van [verkeersschool 1] ([verkeersschool 1]) en [verkeersschool 2] ([verkeersschool 2]) bieden daarvoor onvoldoende aanknopingspunten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat weergegeven en voor zover hier van belang - overwogen dat anders dan appellant heeft aangevoerd artikel 5.1, vijfde en zevende lid, van de beleidsregels niet in strijd met de wet zijn en aansluiten bij de bedoeling van de wetgever. Daarbij heeft de rechtbank gewezen op de memorie van toelichting bij artikel 10 van de PW (lees: Wet werk en bijstand), waar het volgende staat:

(TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 7-8)

“Het is aan de gemeente om te beoordelen op welke wijze het verzoek van de betrokkene wordt gehonoreerd. (…) Het uiteindelijke aanbod zal moeten passen binnen wat de gemeente, mede gelet op de beschikbare financiële kaders, in een verordening heeft opgenomen over haar re-integratiebeleid.”

“Inspelen op de persoonlijke voorkeur en persoonlijke aandacht zijn belangrijke succesfactoren voor een geslaagde re-integratie. De ideeën en voorstellen van de cliënt worden hierbij beoordeeld op hun bijdrage aan het vergroten van het arbeidsperspectief en aan het realiseren van de doelstellingen van een (op termijn) duurzame plaatsing in een reguliere baan.”

(TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 38-41)

“Burgemeester en wethouders moeten bij hun besluit op deze aanvraag maatwerk leveren. Dat geldt voor alle hiervoor genoemde categorieën. Diverse aspecten maken deel uit van die individuele afweging, zoals het re-integratieadvies van het CWI, de beoordeling van het re-integratieadvies, de aanwezigheid van de benodigde voorzieningen of alternatieven daarvoor, de beschikbaarheid van zorg- en hulpverlening en de financiële middelen die beschikbaar zijn gesteld door de gemeenteraad op basis van de gemeentelijke verordening.

[…]

De gemeente moet dus naar aanleiding van een aanspraak op ondersteuning altijd een individuele afweging maken of zij die aanspraak wil of kan honoreren. Het ontbreken van financiële middelen alleen is geen voldoende afwijzingsgrond voor een dergelijk verzoek. Het kan immers mogelijk zijn dat er een alternatief aanbod gedaan kan worden. Aan de andere kant is het uitdrukkelijk aan de gemeente om te beoordelen of er überhaupt ondersteuning noodzakelijk is en welke vorm die moet krijgen, gelet op het te bereiken doel van arbeidsinschakeling, al dan niet op langere termijn.”

Uit de memorie van toelichting heeft de rechtbank afgeleid dat het college financiële kaders mag stellen. Het ontbreken van financiële middelen op zichzelf is geen voldoende afwijzingsgrond, maar het is wel aan het college om te bepalen of ondersteuning nodig is om arbeidsinschakeling te bereiken. Het college dient daarbij maatwerk te leveren. Het college mocht een maximumbedrag voor scholing vaststellen. Met artikel 5.1, zevende lid, heeft het college een mogelijkheid gecreëerd om in bijzondere gevallen af te kunnen wijken van het maximumbedrag, waarmee het college maatwerk mogelijk heeft gemaakt. Aan zijn beslissing de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten heeft de rechtbank verder ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 5.1, vijfde en zevende lid, van de beleidsregels. Volgens de rechtbank heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de scholing noodzakelijk is voor zijn kansen op werkaanvaarding. Uit de verklaringen van [verkeersschool 1] en [verkeersschool 2] blijkt niet dat appellant na voltooiing van de opleiding een baan zal krijgen, maar dat hij aan de slag kan als zelfstandig ondernemer. Volgens de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de arbeidsinschakeling moet zijn gericht op arbeid in dienstbetrekking.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW is bepaald dat onder arbeidsinschakeling wordt verstaan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid,

onderdeel a, van de PW.

4.1.2.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de PW, voor zover van belang, hebben personen die algemene bijstand ontvangen, overeenkomstig de verordening als bedoeld in artikel 8a van de PW, aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

4.1.3.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Re-integratieverordening Participatiewet van de gemeente Bergen op Zoom kan het college aan de persoon die behoort tot de doelgroep scholing of opleiding aanbieden die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert. Op grond van het derde lid kan het college nadere regels vaststellen ten aanzien van de wijze waarop het scholingsinstrument wordt toegepast en de voorwaarden die hieraan verbonden worden.

4.1.4.

Ingevolge artikel 5.1, vijfde lid, van de beleidsregels bedragen de kosten van de scholing of opleiding maximaal € 2.500,-. In artikel 5.1, zevende lid, van de beleidsregels is bepaald dat in bijzondere individuele omstandigheden kan worden afgeweken van - voor zover van belang – het bepaalde in het vijfde lid indien het voor de kansen op werkaanvaarding noodzakelijk wordt geacht. In de toelichting op die bepaling is vermeld dat om af te wijken van de maximale kosten van scholing of opleiding op voorhand voldoende aannemelijk zal moeten zijn dat dit de kansen op werkaanvaarding daadwerkelijk vergroot, waarbij het bijvoorbeeld kan gaan om een situatie, waarbij daadwerkelijk een baan in het vooruitzicht is gesteld na afronding van de opleiding.

4.2.

Appellant heeft allereerst aangevoerd dat het beperken van de kosten van scholing en opleiding tot een maximumbedrag in artikel 5.1, vijfde en zevende lid, van beleidsregels in strijd is met de bedoelingen van de wetgever, omdat geen maatwerk kan worden geleverd en niet elk individueel geval afzonderlijk kan worden beoordeeld. Hij verwijst in dat verband naar enkele passages uit de memorie van toelichting op de Wet werk en bijstand

(TK 2002-2003, 28 870, nr. 3). Deze beroepsgrond is in essentie een herhaling van wat appellant in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig is. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over deze beroepsgrond en de overwegingen waarop dat oordeel rust, zoals onder 2 zijn weergegeven.

4.3.1.

Appellant heeft verder aangevoerd dat hij met de verklaringen van [verkeersschool 1] en [verkeersschool 2] aannemelijk heeft gemaakt dat de opleiding tot rijinstructeur noodzakelijk is voor zijn kansen op werkaanvaarding als bedoeld in artikel 5.1, zevende lid, van de beleidsregels. Het begrip werkaanvaarding moet volgens appellant ruim worden uitgelegd. Het gaat niet alleen om aanvaarding van arbeid in dienstbetrekking, maar ook om het aan de slag gaan als zelfstandige of franchisenemer. Appellant verwacht dat hij na voltooiing van de scholing als zelfstandige of franchisenemer niet meer bijstandsafhankelijk zal zijn.

4.3.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het verhandelde ter zitting van de rechtbank en de door de gemachtigde van het college ter zitting van de Raad gegeven toelichting is gebleken dat het college gebruik maakt van de hem in artikel 5.1, zevende lid, van de beleidsregels toekomende bevoegdheid om het maximumbedrag voor scholing af te wijken als op voorhand voldoende aannemelijk is dat de betrokkene na afronding van de scholing bijstandsonafhankelijk zal worden. Appellant heeft terecht aangevoerd dat de bijstandsonafhankelijkheid niet uitsluitend kan worden bereikt met aanvaarding van arbeid in dienstbetrekking. Dit blijkt ook niet uit het bestreden besluit. Aan het bestreden besluit heeft het college namelijk als reden waarom niet wordt afgeweken van het maximumbedrag voor scholing vermeld dat niet is komen vast te staan dat appellant na afronding van de opleiding bijstandsonafhankelijk zal worden. Daarbij heeft het college de door appellant overgelegde verklaringen van [verkeersschool 1] en [verkeersschool 2] betrokken en onder meer vastgesteld dat deze geen concrete werkafspraken, toezeggingen noch prijsafspraken bevatten.

4.3.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat uit de door appellant in bezwaar overgelegde verklaringen van [verkeersschool 1] en [verkeersschool 2] blijkt dat appellant na afronding van zijn opleiding tot rijinstructeur als zelfstandig ondernemer kan deelnemen aan een franchise. Anders dan appellant heeft aangevoerd kan uit de verklaringen van [verkeersschool 1] en [verkeersschool 2] niet worden afgeleid dat hij na afronding van zijn opleiding tot rijinstructeur voldoende inkomsten zal hebben om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien en daarmee bijstandsonafhankelijk te worden. Deze verklaringen zijn daartoe onvoldoende concreet en bevatten bijvoorbeeld geen werkafspraken, toezeggingen noch prijsafspraken. Dat appellant verwacht dat hij na voltooiing van de opleiding niet meer bijstandsafhankelijk zal zijn maakt dat niet anders. In wat appellant heeft aangevoerd is dan ook geen grond gelegen voor het oordeel dat het college bij afweging van alle belangen niet in redelijkheid geen gebruik had kunnen maken van zijn bevoegdheid om van het maximumbedrag af te wijken.

4.4.

Uit wat is overwogen onder 4.2 tot en met 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2019.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) L. Hagendijk