Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:276

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
31-01-2019
Zaaknummer
17/7234 JW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft op goede gronden geconcludeerd dat appellante niet de medewerking als bedoeld in artikel 8.1.2, derde lid, van de Jeugdwet heeft verleend die redelijkerwijs nodig is ter uitvoering van die wet, als gevolg waarvan de behoefte aan jeugdhulp over de periode van 25 april 2015 tot 24 juni 2015 niet kon worden vastgesteld. Beroep ongegrond is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7234 JW

Datum uitspraak: 16 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland van 27 september 2017

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 26 mei 2016, 16/430, vernietigd en met toepassing van artikel 8:113,

tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 27 september 2017 (bestreden besluit) heeft het college de afwijzing van de aanvraag om jeugdhulp op grond van de Jeugdwet gehandhaafd.

Namens appellante heeft mr. A.P.E.M. Pover, advocaat, tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2018. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Leenstra en H. de Weert.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 1 mei 2017. Hij volstaat nu met het volgende.

1.2.

Het college heeft bij besluit van 4 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 december 2015, de aanvraag voor jeugdhulp afgewezen.

1.3.1.

In de uitspraak van 1 mei 2017 is overwogen dat uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met artikel 2.3 van de Jeugdwet volgt dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag voor jeugdhulp het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn. Eerst wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening van jeugdhulp te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De hiervoor bedoelde verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. Het college dient ervoor zorg te dragen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager.

1.3.2.

De Raad heeft, uitgaande van dit beoordelingskader, geoordeeld dat het aan de besluitvorming ten grondslag gelegde onderzoek, zoals weergegeven in het gezinsplan, niet voldoet aan daaraan uit een oogpunt van zorgvuldigheid en motivering te stellen eisen. Het besluit van 9 december 2015 is daarom vernietigd en het college is opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

2. Het college heeft ter uitvoering van de uitspraak van 1 mei 2017 het thans bestreden besluit genomen. In dat besluit heeft het college de afwijzing van de aanvraag om jeugdhulp gehandhaafd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat over de periode van

25 april 2015 tot 24 juni 2015 de behoefte aan jeugdhulp niet kan worden vastgesteld omdat appellante niet heeft meegewerkt aan het onderzoek dat noodzakelijk is om tot een zorgvuldige beoordeling te komen, zoals in de uitspraak van 1 mei 2017 is uiteengezet.

3. In beroep heeft appellante aangevoerd dat zij integraal medewerking heeft verleend aan het onderzoek. Haar zorgbehoefte had daarom gewoon kunnen worden vastgesteld en het college had hier een inhoudelijk besluit over kunnen nemen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Om uitvoering te geven aan de uitspraak van de Raad heeft het college appellante bij brieven van 8 en 18 mei 2017 verzocht om contact op te nemen met het college. Bij brief van

31 mei 2017 en e-mail van 20 juni 2017, gericht aan mr. Pover, en bij aangetekende brief van

5 juli 2017, gericht aan appellante, heeft het college vervolgens uiteengezet dat in ieder geval medewerking van appellante nodig is in de vorm van een persoonlijk gesprek met de consulent en dat toestemming nodig is om contact op te nemen en informatie en rapporten (bijvoorbeeld met betrekking tot diagnostiek) op te vragen bij alle betrokken behandelaars/hulpverleners. Ten slotte is appellante in de hiervoor genoemde brief van

5 juli 2017 uitgenodigd voor een gesprek op 13 juli 2017. Hier is zij, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.

4.2.

Uitgaande van de onder 4.1 vermelde niet betwiste feiten en omstandigheden heeft het college op goede gronden geconcludeerd dat appellante niet de medewerking als bedoeld in artikel 8.1.2, derde lid, van de Jeugdwet heeft verleend die redelijkerwijs nodig is ter uitvoering van die wet, als gevolg waarvan de behoefte aan jeugdhulp over de periode van 25 april 2015 tot 24 juni 2015 niet kon worden vastgesteld. Dit betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep tegen het besluit van 27 september 2017 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner als voorzitter en D.S. de Vries en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2019.

(getekend) M.F. Wagner

(getekend) B. Dogan

LO