Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2759

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2019
Datum publicatie
22-08-2019
Zaaknummer
16/7956 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:9487, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen en aan de juistheid van de FML. Onvoldoende functies om de schatting te kunnen dragen. De reservefunctie van medewerker tuinbouw (SBC-code 111010) kan aan de schatting ten grondslag worden gelegd. Hierdoor wijzigt het mediane uurloon doordat de functie van samensteller kunststof de mediane functie wordt met een uurloon van € 10,23. Omdat voor de functie van medewerker tuinbouw een reductiefactor van 0,46 geldt, wordt de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 80,60% ((€ 24,30 - (€ 10,23 x 0,46)) : € 24,30) x 100%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7956 WIA

Datum uitspraak: 21 augustus 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
9 december 2016, 16/3053 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M. Breevoort hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft twee rapporten van verzekeringsarts H.M.Th. Offermans ingebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft met rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de rapporten van Offermans. Voorts heeft het Uwv een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. L. Goudkade. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
W.L.J. Weltevrede.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 22 september 2010 uitgevallen voor zijn werk als adviseur/coach gedurende 36 uur per week vanwege cardiale klachten. Het Uwv heeft in verband met het opleggen van een loonsanctie de aanvraag van appellant op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) opgeschort. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv aan appellant met ingang van 19 september 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage is berekend op 43. In verband met een melding van verslechtering van de gezondheid door appellant, heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 17 juni 2015 de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 74,52%. De hoogte van de uitkering wijzigt niet. Deze uitkering is bij besluit van 26 juni 2015 met ingang van 19 september 2015 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering.

1.2.

Appellant heeft het Uwv gemeld dat zijn gezondheid is verslechterd. Op dit formulier heeft appellant gemeld dat hij vanwege pijnlijke handen de reumatoloog heeft geconsulteerd die artrose heeft geconstateerd. Voorts is door een psychiater bij appellant ADHD met aanpassingsstoornis en depressie gediagnosticeerd waarvoor hij bij PsyQ onder behandeling is. In verband hiermee heeft een arts van het Uwv onderzoek verricht. Op basis van dit onderzoek heeft de arts geconcludeerd dat er geen reden is op grond van cardiale, psychische of gewrichtsklachten meer dan wel andere beperkingen vast te stellen dan bij de eerdere beoordeling is gedaan waarbij een eerdere urenbeperking van 4 uur per dag, 20 uur per week, is gehandhaafd. Wel is de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op 28 augustus 2015 aangepast op het niet bovennormaal kunnen reproduceren van verbale informatie en het niet langdurig bovennormaal kunnen richten van de aandacht. Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 19 oktober 2015 het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellant per 16 september 2015 vastgesteld op 76,09. De hoogte van de WIA-uitkering is ongewijzigd.

1.3.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 oktober 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van haar bevindingen tijdens de hoorzitting en de door appellant in bezwaar ingezonden informatie van de behandelend artsen geen argumenten gezien om de in de FML van 28 augustus 2015 vastgestelde beperkingen bij te stellen. Appellant is door de primaire arts in zowel fysiek als psychisch opzicht fors beperkt geacht waarbij voorts de urenbeperking van 20 uur per week is gecontinueerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens het standpunt van de arbeidsdeskundige bevestigd dat de geselecteerde functies productiemedewerker textiel
(SBC-code 272043), huishoudelijk medewerker (SBC-code 111334) en samensteller kunststof (SBC-code 271130) geschikt zijn te achten voor appellant. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is terecht vastgesteld op 76,09. Bij besluit van
29 maart 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, het door appellant tegen het besluit van 19 oktober 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde klachten. Zij hebben appellant gezien op het spreekuur en op de hoorzitting. Appellant is door de primaire arts onderzocht en de verzekeringsartsen hebben de informatie van de behandelend sector betrokken bij het vaststellen van de beperkingen. Voorts heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden dat de klachten van appellant onvoldoende zijn meegewogen in de door de verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid. Ook het door appellant in beroep overgelegde rapport van verzekeringsarts Offermans leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar aanleiding van de medische anamnese en het dagverhaal van appellant in haar rapporten heeft vermeld dat appellant kampt met extreme vermoeidheid. Hieruit blijkt niet dat sprake is van het, door Offermans in zijn rapport aangegeven, meermalen per dag daadwerkelijk in slaap vallen. Dit is ook niet gebleken uit de informatie van de behandelend sector. De rechtbank volgt het Uwv in zijn standpunt dat, voor zover deze klacht aanwezig is, daarvan eerst na de datum in geding sprake is. De verzekeringsartsen hebben, gelet op het rapport van Offermans, voldoende gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat meer dan wel andere beperkingen vast te stellen. Ook met de beperkingen voor het persoonlijk functioneren is in voldoende mate tegemoetgekomen aan de klachten voortkomend uit de diagnose ADHD. De rechtbank heeft de door de verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid onderschreven. Daarom heeft de rechtbank geen reden gezien om een deskundige in te schakelen. Uitgaande van de belastbaarheid zoals vastgelegd in de FML van 28 augustus 2015, heeft de rechtbank de geschiktheid van de voor appellant geselecteerde functies onderschreven. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat voldoende is toegelicht dat de belasting in de geselecteerde functies de voor appellant vastgestelde belastbaarheid niet overschrijdt.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep opnieuw aangevoerd dat de vastgestelde belastbaarheid geen recht doet aan de beperkingen als gevolg van de verschillende aandoeningen (hartaandoening, extreme vermoeidheidsklachten, ADHD en depressieve problematiek). Appellant heeft zijn standpunt herhaald dat onvoldoende rekening is gehouden met de recuperatiebehoefte als gevolg van de extreme vermoeidheidsklachten mede doordat hij overdag meerdere malen in slaap valt. Appellant heeft daartoe verwezen naar de in hoger beroep overgelegde rapporten van 30 januari 2017 en 19 juli 2018 van verzekeringsarts Offermans. Deze heeft geconcludeerd dat appellant slechts 2 uur per dag, gedurende 10 uur per week passende arbeid kan verrichten. Dat de vermoeidheidsklachten eerst zijn toegenomen na de datum in geding staat, volgens verzekeringsarts Offermans, op gespannen voet met de conclusies van de behandelaar waaruit blijkt dat er in de loop van 2015 een significante toename is van de vermoeidheidsproblematiek. Hieraan heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende aandacht geschonken. De moeheid is waarschijnlijk een gevolg van een combinatie van de cardiale en psychische problemen, waarbij ook de hartmedicatie gepaard gaat met vermoeidheidsklachten. Omdat het standpunt van verzekeringsarts Offermans tegenover dat van de verzekeringsarts bezwaar en beroep staat, had de rechtbank een deskundige moeten benoemen. Voorts zijn de functies niet geschikt voor appellant vanwege het frequent traplopen, het reiken, de piekbelasting en een lawaaiige omgeving omdat appellant niet in grote rumoerige ruimtes kan verblijven vanwege de afleidbaarheid en prikkelbaarheid.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit, onder verwijzing naar de rapporten van 26 maart 2018 en 18 september 2018 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 13 april 2018 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA met ingang van 16 september 2015.

4.2.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Een arts van het Uwv heeft appellant onderzocht en een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hem bij de hoorzitting gezien. Bij hun beoordeling hebben zij de medische informatie van de behandelend sector betrokken.

4.3.

In de door appellant in beroep overgelegde rapporten van verzekeringsarts Offermans vindt de Raad, evenmin als de rechtbank, aanknopingspunten voor het oordeel dat de belastbaarheid van appellant onjuist is vastgesteld. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd is ingegaan op de conclusies van Offermans en er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) van het Uwv. Evenals de rechtbank heeft overwogen, blijkt dat appellant op 20 juli 2015 in “het formulier wijzigingen doorgeven” heeft gemeld dat er toegenomen klachten zijn als gevolg van artrose, de vastgestelde diagnose ADHD en depressie. In deze melding heeft appellant niet aangegeven dat hij meerdere malen per dag in slaap valt. Wel heeft hij bij zijn medische geschiedenis vermeld dat er vermoeidheid is en dat deze enorm blijft. Evenmin heeft appellant tijdens het spreekuur op 26 augustus 2015 van de arts van het Uwv een toename van de vermoeidheidsklachten gemeld. Uit het rapport van de arts blijkt dat de ziektegeschiedenis ter sprake is gekomen waarbij de extreme vermoeidheid is vermeld. Deze vermoeidheidsklachten waren al bekend in verband waarmee, naast andere beperkingen, een urenbeperking is vastgesteld. Vervolgens heeft de arts de door appellant vermelde artroseklachten en psychische klachten besproken en onderzocht. Dat de vermoeidheidsklachten zijn toegenomen, is daarbij niet vermeld. Ook op de hoorzitting heeft appellant niet gemeld dat hij meerdere malen per dag in slaap valt. De, eerst in het rapport van 24 juni 2016 van verzekeringsarts Offermans vermelde, klacht dat appellant meerdere malen per dag in slaap valt en dat dit mede aanleiding was voor zijn melding van toegenomen klachten, is in het licht van vermelde onderzoeksbevindingen van de artsen van het Uwv onvoldoende geconcretiseerd en maakt niet dat de FML van 28 augustus 2015 onjuist is. Dit valt evenmin af te leiden uit de brief van de behandelend psychiater waarnaar verzekeringsarts Offermans heeft verwezen. In de brief van 17 september 2015 van PsyQ is vermeld dat appellant na een vervanging van de aortaklep invaliderende vermoeidheidsklachten meldt. Ook hieruit blijkt niet dat de vermoeidheidsklachten zijn toegenomen. Daaraan wordt nog toegevoegd dat uit de brief van de cardioloog van 7 september 2015 niet blijkt van toename van vermoeidheidsklachten omdat in deze brief is vermeld dat “de vermoeidheidsklachten blijven”. Met de rechtbank wordt overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van 22 maart 2016 en 25 juli 2016 voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat geen aanleiding bestaat voor meer dan wel andere beperkingen. Betreffende de in hoger beroep overgelegde rapporten van Offermans heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij rapporten van 26 maart 2018 en 18 september 2018 inzichtelijk uiteengezet waarom er geen aanleiding is andere dan wel meer beperkingen voor de vermoeidheidsklachten, waaronder een urenbeperking, vast te stellen. Nu er geen twijfel bestaat aan de juistheid van de FML, is er geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

4.4.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit ziet de Raad zich gesteld voor de vraag of de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt zijn. Anders dan de rechtbank, beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Met appellant is de Raad van oordeel dat de functie van huishoudelijk medewerker (SBC-code 111334) de belastbaarheid van appellant overschrijdt voor wat betreft het reiken als ook de hectische (werk)omgeving. Uit de belasting in de functie blijkt een forse overschrijding van de frequentie van het reiken, namelijk 900 maal ten opzichte van de vastgestelde beperking in de FML op 600 maal per uur. Dit komt neer op een overschrijding van 50%. Hoewel de reikwijdte minder is dan de normaalwaarde, is de Raad, vanwege de forse overschrijding van 50%, niet overtuigd geraakt van de motivering door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat, na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, de totaalbelasting op het reiken “vergbaar” is. Voorts is de Raad van oordeel dat de bij item 1.9.4 gegeven toelichting dat de functie een routinematig karakter heeft en er weinig of geen afleiding is in de werksituatie, niet volgt uit de functiebeschrijving. Hoewel volgens de functieomschrijving volgens een vast schoonmaakschema wordt gewerkt, blijken aanvullende opdrachten en wijzigingen van het schoonmaakschema voor te komen. Ook op verzoek van het verplegend personeel kan het schoonmaakschema wijzigen. Verder is er veelvuldig kort overleg met het verplegend personeel omtrent de voortgang van het werk. In de FML is opgenomen dat appellant niet mag worden afgeleid door activiteiten van anderen. Deze functie voldoet niet aan die eis en komt dus te vervallen. Met de twee overige geduide functies productiemedewerker textiel (SBC-code 272043) en samensteller kunststof
(SBC-code 271130) resteren onvoldoende functies om de schatting te kunnen dragen. De reservefunctie van medewerker tuinbouw (SBC-code 111010) kan aan de schatting ten grondslag worden gelegd. Hierdoor wijzigt het mediane uurloon doordat de functie van samensteller kunststof de mediane functie wordt met een uurloon van € 10,23. Omdat voor de functie van medewerker tuinbouw een reductiefactor van 0,46 geldt, wordt de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 80,60% ((€ 24,30 - (€ 10,23 x 0,46)) : € 24,30) x 100%.

4.5.

Gelet op wat onder 4.4 is overwogen slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Het beroep van appellant is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak te voorzien door de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 16 september 2015 vast te stellen op 80 tot 100%.

5. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten. De in bezwaar, beroep en hoger beroep gemaakte kosten wegens verleende rechtsbijstand worden, onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op € 1.024,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting), op
€ 1.024,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting) en op € 1.024 in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting), in totaal € 3.072,-. Daarnaast komen de kosten van de rapporten van verzekeringsarts Offermans in beroep en hoger beroep in aanmerking voor vergoeding. Gelet op artikel 2, eerste lid, onder b, van het Bpb en het Besluit tarieven in strafzaken 2003 komt appellant voor de rapporten van verzekeringsarts Offermans een forfaitaire vergoeding toe. Rekening houdend met een uurtarief in 2016 en 2017 van € 121,95 en het aantal bestede uren in 2016 en 2017 van 7,25 uur bedraagt de vergoeding € 884,14, zijnde € 1.069,81 inclusief 21% BTW. Rekening houdend met het uurtarief in 2018 van € 122,63 en de tijdsduur van twee uur bedraagt de vergoeding € 245,26, zijnde € 296,77 inclusief 21% BTW. In totaal is het Uwv aan appellant € 4.438,58 aan kosten verschuldigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 29 maart 2016 gegrond en vernietigt dat besluit;

- herroept het besluit van 19 oktober 2015;

- bepaalt dat appellant vanaf 16 september 2015 recht heeft op een

WGA-loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet WIA op basis van een mate van

arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 29 maart 2016;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in bezwaar, beroep en in hoger beroep

tot een bedrag van in totaal € 4.438,58;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2019.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) J.R. Trox

md