Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2743

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2019
Datum publicatie
21-08-2019
Zaaknummer
18/5772 PW-W
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Gelet op het door verzoeker gebruikte argument, waarbij in het geheel niet duidelijk wordt gemaakt waarom de behandelend rechter in deze zaken blijk zou hebben gegeven van vooringenomenheid, moet worden geconcludeerd dat sprake is van evident misbruik van het recht om een wrakingsverzoek in te dienen. Het verzoek zal daarom niet in behandeling worden genomen. Tevens bestaat aanleiding gebruik te maken van de in artikel 8:18, vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om te beslissen dat een volgend verzoek van verzoeker om wraking in deze hoger beroepen niet in behandeling wordt genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/436
NJB 2019/1949
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/5772 PW-W, 18/5776 PW-W, 18/5777 PW-W, 18/5785 PW-W, 18/5786 PW-W,
18/5787 WMO-W, 18/5788 WMO-W, 18/5793 PW-W, 18/5929 WMO-W

Datum uitspraak: 19 augustus 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroepen ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg van 10 oktober 2018, 17/1355, 17/1469, 17/2867, 17/3180, 17/3825, 18/225, 18/759, 18/1369.

Bij brief van 23 juli 2019 heeft de Raad verzoeker geïnformeerd dat zijn hoger beroepen op 27 augustus 2019 ter zitting zullen worden behandeld en is hij uitgenodigd daarbij aanwezig te zijn.

Verzoeker heeft op 15 augustus 2019 verzocht om wraking van mr. A. Stehouwer (behandelend rechter).

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de strekking van het middel van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.

2. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2013 (Stcrt. 2019, 32568) (Wrakingsregeling) bepaalt dat de wrakingskamer, zonder daartoe een zitting te houden, kan beslissen dat een verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen indien het verzoek evident blijk geeft van misbruik van het wrakingsmiddel.

3. Verzoeker heeft in zijn verzoek om wraking slechts gesteld dat hij de behandelend rechter wraakt omdat hij eerder door de behandelend rechter niet in het gelijk is gesteld.

4. Gelet op het door verzoeker gebruikte argument, waarbij in het geheel niet duidelijk wordt gemaakt waarom de behandelend rechter in deze zaken blijk zou hebben gegeven van vooringenomenheid, moet worden geconcludeerd dat sprake is van evident misbruik van het recht om een wrakingsverzoek in te dienen. Daarbij is mede van belang dat verzoeker in vrijwel alle hoger beroepen die hij tot nu toe heeft ingesteld één of meerdere wrakingsverzoeken heeft ingediend, die alle zijn afgewezen of buiten behandeling zijn gesteld en waarin ook veelvuldig is vastgesteld dat hij misbruik maakt van de mogelijkheid om wrakingsverzoeken in te dienen. Verwezen wordt naar de beslissing van de Raad van 22 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3168, de verschillende daarin genoemde beslissingen en de beslissing van 15 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2383. Het verzoek zal daarom niet in behandeling worden genomen.

5. Gelet op wat onder 4 is overwogen bestaat tevens aanleiding gebruik te maken van de in artikel 8:18, vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om te beslissen dat een volgend verzoek van verzoeker om wraking in deze hoger beroepen niet in behandeling wordt genomen.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    neemt het verzoek om wraking niet in behandeling;

  • -

    bepaalt dat een volgend verzoek om wraking in de hoger beroepen met de registratienummers 18/5772 PW, 18/5776 PW, 18/5777 PW, 18/5785 PW, 18/5786 PW, 18/5787 WMO, 18/5788 WMO, 18/5793 PW, 18/5929 WMO niet in behandeling wordt genomen.

Deze beslissing is gegeven door B.J. van de Griend als voorzitter en E. Dijt en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2019.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) P. Boer

VC