Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2730

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-08-2019
Datum publicatie
22-08-2019
Zaaknummer
17/7754 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ANW-uitkering over de jaren 2012 en 2013 terecht herzien en teruggevorderd. Geen aanknopingspunten dat de Svb het beleid niet op consistente wijze heeft toegepast. Verder heeft de Svb rekening gehouden met de door appellante aangevoerde feiten en omstandigheden en met het feit dat de Svb een verwijt kan worden gemaakt dat de ANW-uitkering jarenlang onjuist is vastgesteld. Op grond hiervan is de herziening beperkt tot meer dan de helft; drie van de vijf jaren waarin van een verkeerde winst is uitgegaan heeft de Svb immers niet herzien. Niet is gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden in dit geval dat de Svb daarin aanleiding had moeten zien de herziening verdergaand te beperken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7754 ANW

Datum uitspraak: 15 augustus 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

25 oktober 2017, 17/563 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2019. Appellante is verschenen.

De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.J.A. Erkens-Hanssen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante ontvangt sinds juni 2007 een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW). Zij is werkzaam in loondienst en werkt daarnaast als zzp-er. In verband met haar werkzaamheden als zelfstandige stelt de Svb eerst na afloop van een kalenderjaar het recht op ANW-uitkering van appellante vast.

1.2.

Bij de vaststelling van het inkomen van appellante over 2008 heeft de Svb in 2009 onderkend dat is uitgegaan van een onjuiste winst uit onderneming, omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met het bijtellen van de ondernemersaftrek en de MKB-vrijstelling. Op 8 december 2009 heeft de Svb hierover telefonisch contact gehad met appellante en haar boekhoudster. Vervolgens heeft de Svb de ANW-uitkering over 2007 en 2008 herzien en van appellante teruggevorderd.

1.3.

Over de jaren 2009 tot en met 2011 heeft de Svb het recht op ANW-uitkering vastgesteld zonder dat bij de vaststelling van de winst rekening is gehouden met de ondernemersaftrek en de MKB-vrijstelling.

1.4.

De zelfstandigenaftrek is bij de Svb weer in beeld gekomen na de ontvangst in
maart 2014 van de aangifte IB/PVV over 2012 en een brief van de Belastingdienst om van de aangifte IB/PVV over 2011 af te wijken. In april 2014 heeft de Svb appellante verzocht om toezending van een volledige aangifte over 2011. Na ontvangst van de stukken heeft de Svb echter geen verdere actie ondernomen. Vervolgens is ook over de jaren 2012 en 2013 het recht op ANW-uitkering uitbetaald op basis van een onjuiste winstvaststelling.

1.5.

Naar aanleiding van een kopie van de aangifte IB over 2014 in maart 2016 heeft de Svb vastgesteld dat over eerdere jaren ten onrechte is uitgegaan van een onjuiste winst uit onderneming.

1.6.

In verband hiermee is bij besluit van 27 juni 2016 het recht op ANW-uitkering over de periode van 2011 tot en met 2014 herzien en nader vastgesteld.

1.7.

Bij besluit van dezelfde datum heeft de Svb aan appellante medegedeeld dat de te veel betaalde ANW-uitkering over de periode van 2011 tot en met 2014, in totaal € 6.032,55, wordt teruggevorderd.

1.8.

Bij beslissing op bezwaar van 31 januari 2017 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen de besluiten van 27 juni 2016 gegrond verklaard, is de herziening beperkt tot de jaren 2012 en 2013 en is het terugvorderingsbedrag nader vastgesteld op € 4.679,64. Daarbij is overwogen dat bij het nemen van de besluiten van 27 juni 2016 ermee rekening is gehouden dat door de Svb fouten zijn gemaakt, zodat ervoor is gekozen om de jaren 2009 en 2010 niet te herzien. De Svb is nader tot het oordeel gekomen dat ook het jaar 2011 niet herzien had mogen worden. Hij hecht daarbij belang aan het feit dat in 2014 niet is doorgevraagd naar het van toepassing zijn van ondernemersaftrek en MKB-winstvrijstelling. Het recht op ANW-uitkering over 2014 is bij besluit van 27 juni 2016 pas voor het eerst vastgesteld. Geen aanleiding bestaat om van terugvordering van € 4.679,64 af te zien; de Svb acht deze terugvordering niet kennelijk onredelijk.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep is de herziening en terugvordering over 2012 en 2013 bestreden. Appellante heeft aangevoerd dat de Svb haar ten onrechte medeverantwoordelijk heeft gehouden voor de te hoge uitbetaling van de ANW-uitkering over die jaren, temeer omdat appellante altijd de gegevens heeft ingezonden die de Svb van haar verlangde. Zij heeft een beroep gedaan op de rechtszekerheid en is van mening dat rekening moet worden gehouden met de mate van verwijtbaarheid. Gelet op haar persoonlijke omstandigheden, waaronder haar lage maandinkomen, is de terugvordering onevenredig ingrijpend in haar persoonlijke leven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht het beroep tegen de herziening en terugvordering van de ANW-uitkering over de jaren 2012 en 2013 ongegrond heeft verklaard.

4.2.

Vaststaat dat appellante over de jaren 2012 en 2013 een bedrag van € 4.679,64 te veel aan ANW-uitkering heeft ontvangen. Uit artikel 34, eerste lid, van de ANW volgt dat indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de Svb gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Uitgangspunt van artikel 34 van de ANW is blijkens de wetsgeschiedenis dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden, maar dat aangesloten moet worden bij het rechtszekerheidsbeginsel zoals dat in de rechtspraak is ontwikkeld.

4.3.

De Svb heeft beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij verder niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend.

4.4.

Verder blijkt uit de beleidsregels van de Svb zoals die luidden ten tijde in geding, dat met toepassing van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht geheel of gedeeltelijk van herziening wordt afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel leiden dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Daarbij is van belang de mate waarin een betrokkene en de Svb een verwijt kan worden gemaakt en de mate waarin de herziening onevenredig ingrijpend is in het dagelijkse leven van betrokkene.

4.5.

Zoals al eerder is overwogen, onder meer in de uitspraak van de Raad van 5 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3352, moet het door de Svb ter zake gevoerde beleid aangemerkt worden als een buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

4.6.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de Svb voormeld beleid niet op consistente wijze heeft toegepast. Daarvoor is van belang dat de Svb bij het besluit van 27 juni 2016 herziening over de jaren 2009 en 2010 achterwege heeft gelaten en bij het bestreden besluit over 2011 van herziening heeft afgezien. Hierbij heeft de Svb terecht in aanmerking genomen dat appellante niet tijdig de volledige informatie over de winst uit onderneming over de jaren 2009 tot en met 2013 aan de Svb heeft verstrekt. Gelet op het telefoongesprek van 8 december 2009 en de hierop volgende herziening en terugvordering over de jaren 2007 en 2008 had het appellante redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat de Svb bij de vaststelling van de ANW-uitkering over genoemde jaren is uitgegaan van een onjuiste winst. Voor zover appellante haar boekhoudster voor deze kwestie heeft ingeschakeld, overweegt de Raad dat appellante verantwoordelijk blijft voor de handelingen die een derde voor haar verricht. Verder heeft de Svb rekening gehouden met de door appellante aangevoerde feiten en omstandigheden en met het feit dat de Svb een verwijt kan worden gemaakt dat de ANW-uitkering jarenlang onjuist is vastgesteld. Op grond hiervan is de herziening beperkt tot meer dan de helft; drie van de vijf jaren waarin van een verkeerde winst is uitgegaan heeft de Svb immers niet herzien. Niet is gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden in dit geval dat de Svb daarin aanleiding had moeten zien de herziening verdergaand te beperken.

4.7.

Over de terugvordering moet voorop worden gesteld dat de Svb gehouden is tot terugvordering van onverschuldigd betaalde nabestaandenuitkering. Slechts in geval van dringende redenen is de Svb bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Dringende redenen als hiervoor bedoeld kunnen ingevolge vaste rechtspraak slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de – financiële en/of sociale – gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Niet is gebleken dat appellante ten gevolge van de terugvordering in een noodsituatie als hiervoor bedoeld terecht is gekomen, zodat geen sprake is van dringende redenen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien.

4.8.

Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter, in tegenwoordigheid van

H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2019.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) H. Achtot

rh