Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2720

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2019
Datum publicatie
19-08-2019
Zaaknummer
16/178 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:8286, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Volgens de door de Raad benoemde onafhankelijk deskundige was wat betreft de datum in geding geen aanleiding om aanvullende beperkingen op te nemen in de FML van 28 april 2015. Het Uwv is bij het beoordelen van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op goede gronden uitgegaan van de in de FML van 28 april 2015 aangenomen beperkingen. Geen grond voor het oordeel dat appellante de aan de schatting ten grondslag gelegde voorbeeldfuncties niet zou kunnen verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 178 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 december 2015, 15/4529 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 augustus 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Grijs, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met daarbij een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 februari 2016 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 1 maart 2016. Nadien heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 augustus 2016 aan de Raad gestuurd.

Appellante heeft een rapport van M. van der Meulen, psycholoog, en een brief van psycholoog E. Beurskens aan de Raad gestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Grijs. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

Vervolgens is het onderzoek heropend. De Raad heeft M. Wolff-van der Ven, verzekeringsarts, als deskundige benoemd. Deze deskundige heeft op 23 januari 2019 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze gegeven.

Desgevraagd heeft de deskundige hierop gereageerd. Vervolgens hebben partijen nogmaals gereageerd.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht nader ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als vakkenvuller. Op 10 september 2008 heeft zij zich ziek gemeld met rugklachten en psychische klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 8 september 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%. Deze uitkering is met ingang van 8 juli 2012 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering.

1.2.

In het kader van een herbeoordeling heeft appellante op 2 september 2014 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 september 2014. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 3,54%. Het Uwv heeft bij besluit van

24 oktober 2014 de WGA-uitkering van appellante met ingang van 25 december 2014 beƫindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 oktober 2014 is bij besluit van

27 mei 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 29 april 2015 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 19 mei 2015 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 28 april 2015 een aanvullende beperking opgenomen in de FML voor verhoogd persoonlijk risico in verband met het medicijngebruik. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid hierdoor niet wijzigt.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar psychische belastbaarheid niet juist is vastgesteld. Er was op de datum in geding sprake van PTSS en een depressieve stoornis en hiermee is onvoldoende rekening gehouden. Ook moeten er volgens appellante meer beperkingen worden aangenomen op lichamelijk gebied.

3.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

3.3.

De Raad heeft aanleiding gezien om zich te laten adviseren door een onafhankelijk

deskundige. De deskundige is in een rapport van 23 januari 2019 tot de conclusie gekomen dat er op de datum in geding sprake was van chronische aspecifieke lage rugklachten op basis van milde degeneratieve afwijkingen in de onderrug en PTSS. Van evidente, geobjectiveerde klachten en belemmeringen in het functioneren als gevolg van de PTSS was op de datum in geding geen sprake. Er is volgens de deskundige daarom geen aanleiding om aanvullende beperkingen op te nemen in de FML van 28 april 2015.

3.4.

Het Uwv heeft in het rapport van de deskundige een bevestiging van zijn standpunt

gezien.

3.5.

Appellante heeft onder verwijzing naar de DSM-5 criteria inzake PTSS aangevoerd dat verschillende van de genoemde criteria evident aanwezig waren op de datum in geding en dat er daarom wel degelijk aanleiding is om meer beperkingen aan te nemen.

3.6.

De deskundige heeft in reactie hierop te kennen gegeven dat de mogelijke klachten of symptomen die kunnen bestaan bij een ziektebeeld niet automatisch bij een ieder bij wie die diagnose is gesteld, grond geven voor het stellen van (dezelfde) beperkingen. De oordeelsvorming rondom de belastbaarheid is een individuele inschatting en omdat een welomschreven en geobjectiveerd klachtenpatroon bij appellante rond de datum in geding ontbreekt, kunnen er geen aanvullende beperkingen worden geformuleerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 25 december 2014.

4.2.

De Raad heeft het aangewezen geacht zich te laten adviseren door een deskundige.

4.3.

De deskundige heeft appellante onderzocht en gerapporteerd over haar gezondheidstoestand en mogelijkheden om arbeid te verrichten. In haar rapport is de deskundige tot de conclusie gekomen dat de belastbaarheid van appellante in de FML van

28 april 2015 op juiste wijze is verwoord. Na kennisneming van de zienswijzen van partijen heeft de deskundige haar standpunt gemotiveerd gehandhaafd.

4.4.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. De Raad is van oordeel dat deze situatie zich hier voordoet. De conclusies van de deskundige berusten op een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek en de deskundige heeft overtuigend gemotiveerd dat er, ondanks het feit dat op de datum in geding de diagnose PTSS was gesteld, vanwege het ontbreken van evidente geobjectiveerde klachten als gevolg daarvan geen aanleiding is om op de datum in geding meer beperkingen te stellen.

4.5.

Het voorgaande betekent dat het Uwv bij het beoordelen van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op goede gronden is uitgegaan van de in de FML van 28 april 2015 aangenomen beperkingen.

4.6.

Uitgaande van de juistheid van de FML is er geen grond voor het oordeel dat appellante de aan de schatting ten grondslag gelegde voorbeeldfuncties niet zou kunnen verrichten. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 19 mei 2015 en 1 maart 2016 toereikend gemotiveerd dat de belasting in deze functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.

4.7.

Uit de overwegingen 4.3 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2019.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) P. Boer

RB