Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2697

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2019
Datum publicatie
19-08-2019
Zaaknummer
18/4286 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering ten uitvoer van de uitspraak van de Raad. College bevoegd tot bruteren vordering gelet op schending. Hoogte terugvorderingsbedrag niet geheel juist vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/216
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4286 WWB

Datum uitspraak: 13 augustus 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almere van 29 mei 2018.

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 1 mei 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1346) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 juli 2016 (15/161) vernietigd en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door het college nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Op 29 mei 2018 heeft het college een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit). Het college heeft de hoogte van de terugvordering vastgesteld op € 128.798,89.

Namens appellante heeft mr. W.K. Cheng, advocaat, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben desgevraagd nadere stukken en reacties ingebracht.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57,
derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 1 mei 2018. Hij volstaat nu met het volgende.

1.2.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 1 mei 2018 geoordeeld dat in de perioden dat geen voertuig op naam van appellante heeft gestaan, te weten de perioden van 12 november 2010 tot en met 5 februari 2012, van 22 mei 2012 tot 23 mei 2012 en van 26 mei 2012 tot en met

6 juli 2012 de grondslag aan de terugvordering over deze perioden is komen te ontvallen. De Raad heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 3 december 2014 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover het betreft de intrekking over de perioden van 1 december 1996 tot en met 2 september 2002, van 20 november 2004 tot en met

4 januari 2005, van 12 november 2010 tot en met 5 februari 2012, van 22 mei 2012 tot

23 mei 2012 en van 26 mei 2012 tot en met 6 juli 2012 en de terugvordering. Ten aanzien van de intrekking over deze perioden heeft de Raad het primaire besluit van 24 september 2013 herroepen en het college met betrekking tot de terugvordering opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad.

2. Het college heeft ter uitvoering van deze uitspraak het thans bestreden besluit genomen. Daarbij heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de perioden van

3 september 2002 tot en met 19 november 2004, van 5 januari 2005 tot en met
11 november 2010, van 6 februari 2012 tot en met 21 mei 2012, van 23 mei 2012 tot en met 25 mei 2012 en van 7 juli 2012 tot en met 24 september 2013 tot een bedrag van € 128.798,89 van appellante teruggevorderd.

3. Appellante heeft in beroep tegen het bestreden besluit, kort weergegeven, aangevoerd dat het college ten onrechte geen inzichtelijke en toetsbare financiële uitwerking heeft gemaakt. Er zijn geen totalen ontvangen bijstand per jaar opgegeven en opgesomd tot een algeheel vorderingsbedrag van € 128.798,89. Het is daarom niet mogelijk om het bedrag van de terugvordering na te rekenen tot de door de Raad aangewezen periodes. Voorts heeft het college de reeds afgeloste bedragen ten onrechte niet in mindering gebracht op de terugvordering. Naar aanleiding van de door het college toegezonden specificatie heeft appellante aangevoerd dat daaruit blijkt dat de terugvordering € 128.700,98 bedraagt. Het college heeft de terugvordering dan ook niet op een juiste manier berekend. Verder heeft appellant aangevoerd dat haar geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering. Het college had de terugvordering niet mogen bruteren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is of het college met het bestreden besluit op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad van 1 mei 2018. Voor zover de beroepsgronden zien op de invordering van bijstand treffen deze geen doel, omdat het bestreden besluit slechts betrekking heeft op de terugvordering van bijstand.

4.2.

De beroepsgrond van appellante dat haar ten aanzien van de terugvordering geen verwijt kan worden gemaakt slaagt niet. Omdat de Raad in de uitspraak van 1 mei 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1346) reeds heeft geoordeeld dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden, staat daarmee vast dat het college gehouden was de gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. Verwijtbaarheid is voor de terugvordering, net als voor de herziening van bijstand echter geen vereiste (uitspraak van

11 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3765).

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat de berekening van de terugvordering onvolledig is en onvoldoende gespecificeerd in exacte periodes. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen. Het college heeft naar aanleiding van vragen van de Raad een zeer uitgebreide specificatie verstrekt waarbij een overzicht is gegeven van de gedane betalingen waarbij een onderverdeling is gemaakt naar netto en bruto bedragen en waarbij tevens inzichtelijk is gemaakt welke bedragen betrekking hebben op algemene bijstand en op bijzondere bijstand. Anders dan appellante stelt heeft het college rekening gehouden met eerdere verrekeningen van bijstand in 2006.

4.4.

De beroepsgrond van appellante dat het college de terugvordering ten onrechte heeft gebruteerd, omdat zij de terugvordering door het tijdsverloop en de lange periode van terugvordering niet tijdig heeft kunnen voldoen, slaagt evenmin. Nu vaststaat dat appellante het teruggevorderde bedrag niet uiterlijk binnen hetzelfde kalenderjaar aan het college heeft voldaan en de terugvordering is ontstaan wegens schending van de op appellante rustende wettelijke inlichtingenverplichting, was het college op grond van artikel 58, vijfde lid, van de Participatiewet bevoegd tot brutering van de vordering met de door het college afgedragen loonheffing. Het feit dat de terugvordering betrekking heeft op een lange periode is inherent aan de lange periode van schending van de inlichtingenverplichting.

4.5.

Appellante heeft aangevoerd dat de hoogte van de terugvordering niet juist is, omdat uit de door het college overgelegde specificaties blijkt dat de terugvordering moet worden vastgesteld op € 128.700,98 in plaats van op € 128.798,89. Deze beroepsgrond slaagt. Het college heeft weliswaar toegelicht dat dit verschil is te verklaren door afrondingsverschillen, maar dat neemt niet weg dat het bedrag van de terugvordering zoals vastgesteld bij het bestreden besluit niet juist is. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond. Dat besluit komt dan ook voor wat de hoogte van de terugvordering betreft voor vernietiging in aanmerking. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en de hoogte van de terugvordering te bepalen op € 128.700,98.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante voor verleende rechtsbijstand. Deze worden begroot op € 512,- in beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep tegen het besluit van 29 mei 2018 gegrond;

- vernietigt het besluit van 29 mei 2018 voor zover dit ziet op de hoogte van de

terugvordering;

- stelt het van appellante terug te vorderen bedrag aan bijstand vast op € 128.700,98;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 512,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2019.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) M. Zwart