Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2691

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
19-08-2019
Zaaknummer
18/549 PW-PV
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:10106, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Niet gemelde bijschrijvingen en kasstortingen. Aan te merken als inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 549 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 december 2017, 17/3770 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 16 juli 2019

Zitting heeft: J.J.A. Kooijman

Griffier: E. Stumpel

Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Plaisier.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Appellant ontving bijstand vanaf 21 januari 2014, aanvankelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en vanaf 1 januari 2015 op grond van de Participatiewet (PW).

Bij besluit van 11 november 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 juni 2017 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand over de periode van 1 februari 2014 tot en met 31 augustus 2016 herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 23.250,-. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat er in de periode van 1 februari 2014 tot en met 31 augustus 2016 kasstortingen en bijschrijvingen door derden van in totaal € 23.990,- op zijn bankrekening hebben plaatsgevonden. Deze bijschrijvingen en kasstortingen moeten volgens het college als inkomsten worden aangemerkt. Als gevolg hiervan is aan appellant in de maanden waarin de betreffende kasstortingen of bijschrijvingen op zijn rekening hebben plaatsgevonden ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand verleend.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de bijschrijvingen en kasstortingen niet kunnen worden aangemerkt als inkomsten. Het gaat om geld dat hij heeft geleend van zijn vrienden en familie en hij heeft die leningen terugbetaald.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 14 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1705) moeten kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandsontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB en de PW worden beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB en de PW. De stelling dat sprake is van geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, leidt niet tot een ander oordeel. Allereerst is een geldlening in artikel 31, tweede lid, van de WWB en de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Voorts worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandsontvangers - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - als inkomen van de bijstandsontvanger aangemerkt. Gelet op deze vaste rechtspraak moeten de bedragen die appellant van zijn familie en vrienden heeft ontvangen als inkomsten worden aangemerkt en is daarbij niet van belang dat sprake is van leningen.

Appellant heeft verder aangevoerd dat hij de bedragen die hij van zijn familie en vrienden heeft geleend van zijn bankrekening heeft gehaald om te voorkomen dat de deurwaarder daarop beslag zou leggen en dat hij daarna het geld weer terugstortte om rekeningen te betalen. Die teruggestorte bedragen mogen volgens appellant daarom niet als inkomsten worden beschouwd.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft niet met controleerbare en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat de stortingen op zijn bankrekening zijn terug te voeren op eerdere geldopnames. Om aannemelijk te kunnen achten dat de op de bankrekening van appellant gestorte bedragen de bedragen zijn die hij eerder heeft opgenomen, moet een voldoende rechtstreeks verband te zien zijn tussen de opnames en de stortingen. Zie de al eerder genoemde uitspraak van de Raad van 14 mei 2019. In dit geval is een dergelijk verband niet te zien, omdat de opnames en de stortingen zowel in tijd als in omvang van de bedragen te zeer uiteenlopen.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de hoogte van het terug te vorderen bedrag niet juist is. Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het college een berekening van de terugvordering per maand ingezonden. Ter zitting heeft gemachtigde van het college deze berekening toegelicht. Appellant heeft deze toelichting niet weersproken.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd J.J.A. Kooijman

te ondertekenen