Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2669

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2019
Datum publicatie
09-08-2019
Zaaknummer
17/6239 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In wat appellant in hoger beroep onder verwijzing naar medische stukken heeft aangevoerd, zijn onvoldoende aanknopingspunten te vinden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het Uwv dat er geen reden is om terug te komen van het besluit van 9 oktober 2014 en het daaraan ten grondslag liggend medisch oordeel. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit dan ook terecht ongegrond verklaard en geoordeeld dat het Uwv het besluit van 9 oktober 2014 op goede gronden niet heeft herzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6239 ZW

Datum uitspraak: 25 juli 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

1 augustus 2017, 17/149 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Goudkade hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. F.S.P. Wagemaker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als inkoper voor 40 uur per week. Op

12 september 2013 heeft appellant zich vanuit een situatie van werkloosheid ziek gemeld met psychische klachten. In het kader van een eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) is vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 september 2014. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 74,27% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Bij besluit van 9 oktober 2014 heeft het Uwv de uitkering van appellant op grond van de Ziektewet (ZW) per 10 november 2014 beëindigd, omdat appellant meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit in rechte vaststaat.

1.2.

Appellant is op 10 juni 2016 getroffen door een hartstilstand, waarna hij is gereanimeerd en hij een hartkatheterisatie heeft ondergaan waarbij stents zijn geplaatst. Op 6 juli 2016 heeft appellant zich bij het Uwv met terugwerkende kracht met ingang van 10 november 2014 ziek gemeld. Appellant heeft naar voren gebracht dat de coronair insufficiëntie al langer heeft bestaan en dat de klachten waarmee hij in november 2014 kampte, waaronder maagklachten bij activiteiten en pijnklachten op de borst, naar achteraf gebleken is, verklaard kunnen worden door zich ontwikkelende hartklachten.

1.3.

Het Uwv heeft bij besluit van 9 september 2016, gehandhaafd bij besluit van

1 december 2016 (bestreden besluit), vastgesteld dat appellant op 10 november 2014 niet arbeidsongeschikt was. Dit berust op het standpunt dat niet wordt uitgesloten dat de hartaandoening al langere tijd bestaan heeft, maar dat bekendheid met deze aandoening ten tijde van de EZWb met een redelijke mate van zekerheid niet geleid zou hebben tot een ander oordeel over de belastbaarheid van appellant.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzoek van appellant om hem met terugwerkende kracht met ingang van 10 november 2014 ziek te melden ertoe strekt dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 9 oktober 2014. Het Uwv heeft dit verzoek na een inhoudelijk-medische beoordeling afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek van het Uwv op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat er geen aanleiding is voor twijfel aan het standpunt van het Uwv dat de belastbaarheid van appellant in de FML van 10 september 2014 juist is weergegeven. In het in beroep door appellant ingebrachte rapport van 3 mei 2017 van verzekeringsarts-medisch adviseur E.C. van der Eijk van Triage heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien voor twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. Het Uwv heeft volgens de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om van het besluit van 9 oktober 2014 terug te komen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat zijn verzoek ten onrechte is afgewezen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verzekeringsarts in het kader van de EZWb voor zijn klachten van lichamelijke aard nagenoeg geen beperkingen heeft aangenomen omdat de klachten aan de nek en schouder, vermoeidheids- en maagklachten medisch niet objectiveerbaar waren. In het rapport van Van der Eijk en de informatie van zijn cardioloog vindt appellant steun voor zijn standpunt dat deze klachten achteraf verklaard kunnen worden door coronaire insufficiëntie en dat in de FML van 10 september 2014 beperkingen aangenomen hadden moeten worden op energetisch vlak, voor traplopen en voor lopen tijdens het werk. Appellant heeft hierbij vermeld dat hij geen maagklachten meer heeft gehad sinds zijn hartkatheterisatie in juni 2016.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De vraag is of het Uwv in de voorhanden zijnde medische gegevens van de behandelend cardioloog en het rapport van Van der Eijk aanleiding had behoren te vinden het besluit van

9 oktober 2014 te herzien.

4.2.

In zijn rapport van 3 mei 2017 heeft Van der Eijk toegelicht dat gelet op de waargenomen collaterale vaten bij de hartkatheterisatie in juni 2016 niet ter discussie lijkt te staan dat appellant in november 2014 klachten had op basis van kransslagaderlijden. De ontwikkeling van collaterale vaten betreft een proces van langere duur. Van der Eijk heeft uiteengezet dat de klachten van pijn op de borst en kortademigheid bij inspanning, die door de huisarts in februari 2012 voor het eerst in het huisartsenjournaal gedocumenteerd werden en nadien nog meermaals zijn opgetekend, passen bij de hartproblematiek van appellant. Van der Eijk heeft uit een notitie van de huisarts op 20 maart 2015 afgeleid dat sinds juni 2014 sprake is van een toename van deze klachten, maar dat de huisarts deze klachten aanvankelijk relateerde aan de maagklachten (reflux van maaginhoud) van appellant. Achteraf bezien konden de klachten vermoedelijk verklaard worden door kransslagaderlijden. In de visie van Van der Eijk kan gelet op de informatie van de MDL-arts niet worden uitgesloten dat de maagproblematiek een rol heeft gespeeld bij de klachten van pijn op de borst, maar bieden de maagklachten geen verklaring voor de inspanningsgerelateerde klachten die optreden bij tillen en een tijd lopen. Deze worden verklaard door het kransslagaderlijden. In het kader van de EZWb hadden in verband met de cardiale problematiek van appellant dan ook energetische beperkingen aangenomen moeten worden. In zijn rapport heeft Van der Eijk verder twijfels geuit over de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts op 10 september 2014 ten aanzien van de functie van de rechterschouder omdat de huisarts, anders dan de verzekeringsarts, op

11 november 2014 een inklemming-/subacromiaal (pijn)syndroom gediagnosticeerd heeft.

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in reactie op het rapport van Van der Eijk te kennen gegeven dat het rapport geen feiten bevat die aanleiding geven de belastbaarheid van appellant per 10 november 2014 anders in te schatten.

4.4.

In wat appellant in hoger beroep onder verwijzing naar het rapport van Van der Eijk en de bevindingen van cardioloog M.J. Schalij van 18 november 2016 heeft aangevoerd, zijn onvoldoende aanknopingspunten te vinden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het Uwv dat er geen reden is om terug te komen van het besluit van 9 oktober 2014 en het daaraan ten grondslag liggend medisch oordeel. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen volgt dat de artsen het mogelijk achten dat de hartaandoening al langer bestond, maar dat de cardiale belastbaarheid van appellant ten tijde van de EZWb niet zodanig slecht was dat appellant de voor hem geselecteerde functies (maatgevende arbeid), die fysiek niet zwaar belastend zijn, niet zou kunnen vervullen. Zoals door de verzekeringsarts op 16 augustus 2016 is toegelicht, ontbreken er – anders dan door Van der Eijk is gerapporteerd – aanwijzingen dat appellant ten tijde van de EZWb maagklachten had of pijnklachten op de borst na inspanning. Op het spreekuur van de verzekeringsarts op 5 september 2014 heeft appellant geen melding gemaakt van maagklachten, vermoeidheidsklachten of pijn op de borst bij inspanning. De verzekeringsarts heeft daarbij aandacht besteed aan de door appellant ondernomen dagelijkse activiteiten. De Raad voegt daaraan toe dat in het huisartsenjournaal, buiten een enkele melding van maagklachten op 11 november 2014 en sprake van pijn op de borst na een stroomstoot op 26 november 2013 na, evenmin meldingen zijn terug te vinden over maagklachten of pijnklachten op de borst. Eerst eind februari 2015 meldt appellant zich bij zijn huisarts met klachten van pijn achter het borstbeen bij inspanning en bij bukken. Bij onderzoek naar de schouderfunctie heeft de verzekeringsarts in het kader van de EZWb geen beperkingen gevonden. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit dan ook terecht ongegrond verklaard en geoordeeld dat het Uwv het besluit van 9 oktober 2014 op goede gronden niet heeft herzien.

4.5.

Uit wat in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Bij deze beslissing is er geen grond voor toewijzing van het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2019.

(getekend) E. Dijt

(getekend) C.I. Heijkoop

CVG