Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:265

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2019
Datum publicatie
31-01-2019
Zaaknummer
17/1860 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1860 AWBZ, 17/6814 AWBZ

Datum uitspraak: 28 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

20 januari 2017, 15/5932 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.M. Koolen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het zorgkantoor heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 24 maart 2017 een nieuw besluit genomen, waarop appellante haar zienswijze heeft gegeven, zaaknummer 17/6814 AWBZ.

Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2018. Namens appellante is verschenen [naam 1] , bijgestaan door mr. Koolen. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.D. Saro.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om te bezien of partijen samen tot een oplossing kunnen komen. Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 17 december 2018. Namens appellante zijn verschenen

[naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door mr. Koolen. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Saro.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1995, heeft een psychiatrische aandoening. Bureau Jeugdzorg heeft haar in verband daarmee op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geïndiceerd voor de zorgfuncties Begeleiding individueel, Begeleiding groep en Verblijf tijdelijk.

1.2.

Het zorgkantoor heeft op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) aan appellante voor het jaar 2012 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 18.524,82.

1.3.

Appellante heeft op 10 september 2012 verantwoording afgelegd over de besteding van haar pgb over de eerste helft van 2012. Bij besluit van 30 januari 2013 heeft het zorgkantoor de verantwoording voor de kosten van [school] en de Studiekring tot een bedrag van in totaal

€ 10.758,- (lees: € 1.797,-) afgewezen en de verantwoording voor de kosten van [naam 3] tot een bedrag van € 8.631,- goedgekeurd.

1.4.

Bij besluit van 6 augustus 2015 (bestreden besluit 1) heeft het zorgkantoor het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 september 2012 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat de door [school] en de Studiekring verleende zorg is gericht op onderwijs en (het maken van) schoolwerk. De hier geboden huiswerkbegeleiding is geen begeleiding als bedoeld in artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (BzA) en valt evenmin onder een andere vorm van zorg als genoemd in artikel 2.6.9, eerste lid en

onder a, van de Rsa.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het zorgkantoor opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft over de door [school] geboden zorg namelijk geoordeeld dat niet is gebleken dat deze voornamelijk gericht is op begeleiding bij het plannen en structureren van huiswerk, onderwijs gerelateerde coaching of rollenspelen. De rechtbank heeft wel het standpunt van het zorgkantoor onderschreven dat de activiteiten van de Studiekring voornamelijk gericht zijn geweest op het onderwijs van appellante en dat deze niet ten laste van het pgb mogen komen.

2.2.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het zorgkantoor bij besluit van 24 maart 2017 (bestreden besluit 2) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 januari 2013 gegrond verklaard en de verantwoording van het pgb voor de kosten van [school] over het eerste half jaar van 2012 tot een bedrag van € 330,- alsnog goedgekeurd.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank zich bij het oordeel dat begeleiding door de Studiekring onderwijsgerelateerd is geweest te veel heeft laten leiden door de woorden en vormen zoals gebruikt bij de diensten van de Studiekring, zonder daarbij voldoende acht te slaan op de wezenlijk andere zorg die de Studiekring aan appellante verleende. Volgens appellante heeft de Studiekring haar wel degelijk begeleiding geboden die vanuit het pgb bekostigd moet worden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad betrekt het besluit van 24 maart 2017 op grond van het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling.

4.2.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil de vraag of de door de Studiekring aan appellante verleende zorg kan worden aangemerkt als begeleiding in de zin van artikel 6 van het BzA.

4.3.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.4.

Evenals de rechtbank acht de Raad de inhoud van de e-mails tussen de Studiekring en appellante over de periode van oktober 2011 tot en met juni 2012 doorslaggevend. Uit deze

e-mails blijkt dat de activiteiten van de Studiekring voornamelijk zijn gericht op huiswerkbegeleiding waarbij concreet de inhoud van onderwijs, het maken van oefeningen en de inhoudelijke voorbereiding op toetsen aan bod is gekomen. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat uit een brief uit 2014 van de Studiekring over de geboden activiteiten ook blijkt dat het schoolwerk op de voorgrond stond. Uit een door appellante overgelegde uitdraai uit 2012 van de website van de Studiekring blijkt weliswaar dat de Studiekring meer kan bieden dan slechts huiswerkbegeleiding, maar in het geval van appellante is, ook omdat een zorgplan of zorgomschrijving ontbreekt, niet gebleken of en in welke mate andere begeleiding werd geboden. Namens appellante is ter zitting van de Raad toegelicht dat de Studiekring haar niet zozeer huiswerkbegeleiding bood maar dat de activiteiten er (ook) op waren gericht om appellante te stimuleren zelfstandig over straat te gaan en in een groep te functioneren tussen kinderen zonder beperkingen. Voor zover al een deel van de begeleiding beschouwd kan worden als begeleiding als bedoeld in artikel 6 van het BzA, heeft appellante echter niet duidelijk gemaakt wat de omvang van dit deel van de begeleiding is geweest en wat de werkzaamheden en de werkwijze van haar zorgverleners concreet inhielden. Dat de door de Studiekring geboden activiteiten appellante hebben gebaat staat niet ter discussie. Echter kunnen de daarvoor in rekening gebrachte kosten niet ten laste worden gebracht van het pgb omdat grotendeels geen sprake is geweest van begeleiding als bedoeld in artikel 6 van het BzA en de zorgomvang (daardoor) niet objectief controleerbaar is. De Raad wijst op de uitspraken van 18 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1448, en 2 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL7310.

4.5.

Het voorgaande betekent dat appellante niet wordt gevolgd in haar beroepsgronden. Daarom wordt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigd en het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 maart 2017 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2019.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) R.P.W. Jongbloed

md