Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:264

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
05-02-2019
Zaaknummer
16/4854 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:4268, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geïnformeerde maatregel 100%. Door gedrag niet algemeen geaccepteerde arbeid verkregen. Niet kan worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4854 PW

Datum uitspraak: 15 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

10 juni 2016, 15/8102 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. D. Schaap, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2018. Namens appellanten is mr. Schaap verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.J. Wintjes.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen ten tijde hier van belang bijstand naar de norm voor gehuwden ingevolge de Participatiewet (PW). Op appellanten waren de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de PW van toepassing.

1.2.

[naam 1] ( [X] ), werkzaam op [bedrijf] , heeft appellant op 21 mei 2014 aangemeld voor de vacature van tomatenplukker. Vacaturehouder [naam 2] ( [Y] ) heeft naar aanleiding van deze aanmelding op 22 juni 2015 een gesprek gehad met appellant. Tijdens dit gesprek heeft appellant meegedeeld dat hij het lastig vindt om in de tomatenkwekerij te werken, omdat hij oud is en last heeft van zijn rug. Appellant is vervolgens, nadat [Y] dit gesprek had teruggekoppeld aan [X] , van de sollicitantenlijst afgehaald.

1.3.

Bij besluit van 16 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 november 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellanten bij wijze van maatregel met ingang van 1 augustus 2015 voor de duur van een maand met 100% verlaagd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant door zijn gedrag het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid heeft belemmerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW, voor zover hier van belang, is de belanghebbende verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen.

4.2.

Op grond van artikel 18, vierde lid, aanhef en onder g, van de PW, voor zover hier van belang, verlaagt het college in ieder geval de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid, ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de

verplichting het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid niet te belemmeren door gedrag.

4.3.

Op grond van artikel 18, vijfde lid, van de PW verlaagt het college, in het geval van het niet nakomen van een verplichting bedoeld in het vierde lid, de bijstand met 100% voor een bij verordening vastgestelde periode van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden.
Die verordening is in dit geval de Verordening maatregelen en handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ van de gemeente Rotterdam (Verordening). Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Verordening wordt bij niet nakoming van artikel 18, vierde lid, van de PW een maatregel opgelegd voor de duur van één maand.

4.4.

Op grond van artikel 18, negende lid, van de PW ziet het college af van het opleggen van een maatregel indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Op grond van artikel 18, tiende lid, stemt het college een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel af op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar zijn oordeel, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.

4.5.1.

Niet in geschil is dat appellant met zijn gedrag het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid heeft belemmerd. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of bij appellant elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.5.2.

Appellant heeft in het gesprek met de vacaturehouder gezegd zich te oud te vinden voor de functie van tomatenplukker, een functie waarvan hij eerder te kennen had gegeven die het liefst te vervullen omdat hij tien jaar ervaring heeft in de tomaten. Met die mededeling geeft appellant op voorhand aan de vacaturehouder het signaal af zichzelf niet geschikt te vinden voor de functie. Alleen al om die reden kan niet gezegd worden dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De niet door appellant onderbouwde stelling dat hij ten tijde van het gesprek daadwerkelijk last van zijn rug had, behoeft gelet hierop geen bespreking.

4.6.

De beroepsgrond dat de maatregel moet worden gematigd omdat deze ook gevolgen heeft voor de overige in de bijstand begrepen gezinsleden, terwijl hen geen enkel verwijt treft, slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak, inhoudende dat in het geval de maatregel is toegepast op gezinsbijstand niet als vereiste geldt dat de maatregelwaardige gedraging ook de in de bijstand begrepen partner persoonlijk en individueel moet kunnen worden verweten

(zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5129), heeft ook onder de PW zijn gelding behouden. Geen aanleiding bestaat om, zoals ter zitting is betoogd, daarvan afstand te nemen. Elementen als de persoonlijke omstandigheden van de in de bijstand begrepen gezinsleden, de mate van verwijtbaarheid en de ingrijpendheid van de maatregel kunnen worden betrokken bij een eventuele afstemming onder artikel 18, tiende lid, van de PW. Die bepaling geeft immers uitdrukking aan het ook door de wetgever uitdrukkelijk voorgestane individualiseringsbeginsel bij een op te leggen maatregel (zie in die zin ook de uitspraak van 12 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3670). Het college is in dit geval bij de beoordeling van de dringende redenen, gelet op bijzondere omstandigheden, de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten gegaan. Appellanten hebben niet benoemd welke persoonlijke omstandigheden, mogelijkheden of middelen zouden moeten leiden tot afstemming. Daartoe hoefde het college in dit geval dan ook geen aanleiding te zien.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en M. Hillen en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2019.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) J. Tuit

md